Text Size

Is ongelijkheid onvermijdelijk? Een socialistisch standpunt

Beeld je een wereld van zeven miljard mensen in waar de 85 rijksten evenveel bezitten als de armste helft van de volledige mensheid samen. Dat is de wereld waar we vandaag in leven.

De ongelijkheid in de VS is nog nooit zo groot geweest, zeker de afgelopen jaren was er een sterke toename van de kloof. De drie rijkste mensen in dit land bezitten meer rijkdom dan het gezamenlijke bruto binnenlandse product van de 65 armste landen ter wereld. Vervolgens hebben de Koch-broers, Charles en David, die het tweede grootste private bedrijf uit de VS bezitten (het grootste is Cargill) en bekend staan voor hun financiële steun aan groepen als de Tea Party. De drie rijkste Amerikanen – Bill Gates, Warren Buffet en Larry Ellison van Oracle – zijn samen goed voor een vermogen van 72 miljard dollar.

Artikel door Stephen Price, Socialist Alternative (VS)

Voor gewone mensen is het ondertussen moeilijk om rond te komen. Neem nu Evonne en Jose Martinez in Seattle. Die hebben heel hun leven hard gewerkt. Toen Evonne ziek werd, verloor ze haar baan als sociaal werker. Jose moest vrijaf nemen als postbezorger om voor zijn vrouw te zorgen. Toen hun 26-jarige zoon ook nog eens een hersenoperatie moest ondergaan, moesten ze alles wat ze hadden verkopen. Het gezin hield alleen zijn huis over. Maar ze raakten achterop bij de afbetalingen van de lening. Zonder enige menselijk medeleven verkocht JPMorgan Chase het huis en nu wordt geprobeerd om het gezin uit het huis te zetten, ook al werken Evonne en Jose opnieuw en betalen ze hun huis verder af.

Aan de andere kant van de kloof tussen rijk en arm is het gemakkelijker leven. Zo is er Sheldon Adelson, een casinomagnaat uit Las Vegas en financiële steungever aan de Republikeinen. Hij opende een supergroot casino in Macao, China. Volgens de krant The Guardian zag hij zijn netto vermogen in 2013 op een jaar tijd met 14,4 miljard dollar stijgen. Als we ervan uitgaan dat hij 40 uur per week werkt en twee weken verlof nam, dan is hij goed voor 7,2 miljoen dollar per uur of 2.000 dollar per seconde.

Larry en Flor Benes, beiden inwoners van Seattle, deden het in 2013 niet zo goed. Na tien jaar actieve militaire dienst en drie jaar als reservist werd Larry ziek en werd hij voor 70% arbeidsongeschikt beoordeeld. Hij werkte nog 20 jaar als stuwadoor maar werd uiteindelijk afgedankt omwille van zijn arbeidsongeschiktheid. Om te overleven moet Flor nu twee banen draaien. In het jaar dat Sheldon Adelson 14,4 miljard dollar verdiende, had Larry Benes geen inkomen. Bank of America wil Larry en Flor uit hun huis zetten.

We willen niet zeggen dat alle miljardairs moreel verwerpelijke figuren zijn. Ons punt is eerder dat er iets verschrikkelijk fout is met een economisch systeem dat een dergelijke scheefgetrokken rijkdomsverdeling toelaat en zelfs beloont.

Hoe verklaren de rijken en hun academische hielenlikkers deze extreme ongelijkheid? Hun vijf belangrijkste argumenten zijn: (1) de VS is het beste land ter wereld omdat we allemaal de vrijheid en de kans hebben om miljardair te worden, (2) de kans om veel rijkdom te verzamelen stimuleert onze economische groei, (3) rijkdom en armoede hebben altijd bestaan, ongelijkheid is een natuurlijk fenomeen of zelfs een natuurwet, (4) de rijken zorgen voor werk, zonder hen zouden er geen jobs zijn, (5) de rijken riskeren hun geld als ze investeren, als sommige kapitalisten erg rijk worden is dat een beloning omdat ze hun kapitaal riskeerden.

Enkele bedenkingen:

(1) Hoe werkt die vrijheid om miljardair te worden eigenlijk? In het eerste kwartaal van 2013 kende de VS 442 miljardairs, dat is één op de 701.000 inwoners van de VS. Is dat een goedwerkend model? Werkt je auto goed als die maar één keer op de 701.000 start?

Het idee van de ‘vrijheid om miljardair te worden’ baseert zich op het concept van sociale mobiliteit. Als mensen maar hard genoeg werken, zouden de sociale ladder kunnen beklimmen om uiteindlijk miljonairs en zelfs miljardairs te worden. Statistieken geven echter aan dat dit niet klopt en dat de VS minder sociale mobiliteit kennen dan andere grote economische machten.

Als we het inkomen van alle mensen indelen in vijf groepen (of kwintielen) van de hoogste inkomens (het hoogste kwintiel) tot de laagste, dan stellen we vast dat 70% van de Amerikanen die in een gezin van de twee laagste kwintielen geboren wordt, er nooit in slaagt om nog maar in het derde kwintiel te geraken. Dat blijkt uit een studie van PEW Charitable Trusts dat op 22 januari 2014 werd gepubliceerd.

Een andere studie geeft aan dat je inkomen sneller toeneemt als je rijker bent. Tussen 1979 en 2012 steeg het gemiddelde inkomen van de 1% rijkste Amerikanen van 359.000 dollar tot 1 miljoen dollar. Bij de rijkste 0,1% ging het van 963.000 dollar naar 4,7 miljoen en bij de rijkste 0,01% van 2,75 miljoen naar 21,6 miljoen dollar.

In dezelfde periode ging het gemiddelde jaarinkomen van de armste 90% van de Amerikanen van 33.563 naar 30.439 dollar.

Wat is het belang van deze Amerikaanse ‘vrijheid om miljardair te worden’ als het maar betrekking heeft op 0,000143% van de bevolking? En als deze vrijheid bepalend is voor de sterkte van de Verenigde Staten, waarom hebben dan amper 442 van de 310 miljoen Amerikanen gebruik gemaakt van deze vrijheid?

(2) Zorgt de mogelijkheid om heel veel rijkdom te verzamelen voor economische groei? Als je 7,2 miljoen dollar per uur ‘verdient’, ga je natuurlijk met plezier werken. Maar hoe worden de anderen gemotiveerd als ze vaak repetitieve en afstotende jobs voor een laag loon moeten uitoefenen (als ze al werk vinden)? Hoe worden we gemotiveerd als 60% van de Amerikanen, 186 miljoen mensen, samen amper goed zijn voor 4,2% van de rijkdom in het land. Gebruikt een dergelijke samenleving het menselijke potentieel dan maximaal? Als 186 miljoen mensen niet werken om hun rijkdom te vergroten maar om die van de rijkste 442 mensen te vergroten, waarom zouden we dan gemotiveerd zijn om te gaan werken?

Ondanks het onderdrukkende karakter van werken onder het kapitalisme en de constante reclamestroom die ons vertelt dat we pas echt mens zijn als we voldoende consumeren en beschikken over de laatste nieuwe auto’s, kleren en computers, ondanks dit alles zijn er veel mensen die zich terdege en hard inzetten voor hun job. Ze doen dit niet voor het geld maar om anderen te helpen. Leraars uit het publieke net die voor een laag loon werken in overbevolkte klassen met een gebrek aan middelen. Sommige leraars betalen uit eigen zak boeken voor hun leerlingen. Brandweerlui riskeren hun leven om anderen te redden. Ze doen dat niet voor het geld, maar omdat ze het hun taak vinden. Verplegend personeel dat zieken helpt doet dit niet vanuit de hoop om zo miljardair te worden.

(3) Is ongelijkheid natuurlijk? Het probleem met het argument van de natuurwet is dat het nogal flauw is om een bestaande gang van zaken te rechtvaardigen met het argument dat het zo is omdat het zo moet zijn. Omdat slavernij bestaat (want ja, slavernij bestaat nog) is het rechtvaardig of natuurlijk? Er is economische en sociale ongelijkheid, maar het is daarom niet rechtvaardig, we moeten het juist aanpakken.

(4) Zijn het de rijken die werk creëren? De rijken hebben het kapitaal om te investeren in mensen, machines en grondstoffen die jobs opleveren. Het probleem met dit argument is dat de rijken rijker worden maar niet omdat ze werk creëren. We horen veel over de werkloosheidsgraad (van 6,6%), maar er is ook een grote groep die ondertewerkgesteld is. Dat gaat om 12,7% van de bevolking. Het omvat diegenen die een voltijdse job willen, maar deeltijds werken en diegenen die het zoeken naar werk hebben opgegeven. Dit geeft aan dat het systeem niet werkt.

Sinds het begin van het industriële kapitalisme waren er verschillende periodes waarin bedrijven over bergen geld beschikten maar dit niet wilden investeren omdat de consumenten onvoldoende geld hadden om te kopen wat de kapitalisten hen willen aansmeren. Tegelijk hebben werkende mensen moeite om werk te vinden en om te overleven. Voor kapitalisten is een dergelijke scheeftrekking onderdeel van wat ze een zakencyclus noemen, iets natuurlijk dat niet kan gecontroleerd worden.

Het klopt dat er cycli zijn in het kapitalisme maar er zijn ook andere factoren die een rol spelen. De vraag is wie de goederen produceert die we gebruiken. Onder het kapitalisme wordt niets geproduceerd tenzij kapitalisten geld investeren in machines, grondstoffen en arbeidskrachten. Als de kapitalisten weigeren om te investeren, dan stopt de economie. Geïnvesteerd geld, kapitaal dus, lijkt hierdoor de belangrijkste factor te vormen.

Maar soms is niet alles wat het lijkt. Laat ons even de denkoefening doen of een wereld zonder kapitalisten mogelijk is. Kunnen de mensen dan nog overleven? Zou er een gebrek aan voedsel zijn? Zouden we omkomen door een gebrek aan onderdak? Hoe zou het zitten met gezondheidszorg? Er zijn verschillende scenario’s mogelijk, maar een mogelijk scenario zou eruit bestaan dat de mensen op rationele wijze samenwerken om planmatig voor elkaar te zorgen. Diegenen die onder het kapitalisme dokters of verplegend personeel waren, zouden dat blijven. Boeren zouden voedsel blijven produceren, leraars zouden jongeren onderwijzen, er zouden huizen gebouwd worden,… In plaats van e verhongeren, zouden fabrieksarbeiders dezelfde machines blijven bewerken als toen de kapitalisten de fabrieken in handen hadden. De werkenden die de producten en diensten creëren die we vandaag gebruiken, kunnen dat ook blijven doen als er geen kapitalisten zijn.

Hoe zouden de werkenden in de fabrieken betalen voor de grondstoffen die ze nodig hebben? De werkenden in een samenleving zonder kapitalisten zouden dat onderling kunnen bepalen. Een mogelijke benadering zou eruit bestaan dat de mensen democratisch beslissen wat er nodig is, bijvoorbeeld wol en katoen voor kledij. Dat zou inhouden dat diegenen die ruwe wol en katoen produceren de mogelijkheden daartoe zouden krijgen, wat inhoudt dat ze moeten kunnen overleven en de nodige middelen voor de productie zelf hebben. Vervolgens worden de wol en katoen naar textielbedrijven gebracht.

Er kan veel gezegd worden over hoe mensen exact zouden beslissen over nieuwe sociale en economische verhoudingen, maar het centrale punt is dat er niets is dat het verhindert om de economie op basis van willekeurig zelfbelang van een handvol erg rijke mensen te vervangen door een economie op basis van rationele democratische planning door en voor alle mensen.

Kapitalisten en kapitaal hebben loonarbeiders nodig. Dat is waarom ze ‘werkgevers’ worden genoemd, maar zij zijn het niet die de goederen en diensten produceren die wij gebruiken. Het zijn de werkenden die dat doen. Andrew Carnegie en J.P. Morgan zorgden voor het kapitaal om personeel aan te werven, maar zij waren het niet die de spoorwegen aanlegden. Dat waren de arbeiders. Andrew Carnegie en J.P. Morgen gingen nadien wel met de winsten lopen en dat zonder hun handen vuil te maken.

(5) Is rijkdom een beloning voor het nemen van risico’s? In een periode van economische groei zijn er vaak investeringen om oude machines te vervangen of nieuwe bedrijven uit te bouwen. Op ogenblikken van stagnatie en economische achteruitgang beschikken bedrijven vaak over heel veel geld dat niet geïnvesteerd worden in productie. Er wordt naar andere investeringsmogelijkheden gezocht, bijvoorbeeld op de financiële markten. In beide gevallen riskeren de kapitalisten hun geld. Volgens de kapitalistische logica zouden de kapitalisten beloond worden als ze goed gokken en de prijs betalen indien ze verliezen. Die logica wordt echter niet meer gevolgd als de kapitalisten effectief verliezen. Dan moeten de gewone werkenden plots voor de kosten opdraaien, zoals dit in 2008 het geval was toen de regering tussenkwam om de banken te redden met ons belastinggeld.

De kwestie is of deze vorm van sociale organisatie, met name het kapitalisme, de beste is om het leven van alle leden van de samenleving te verbeteren? Diegenen die denken dat het kapitalisme het beste systeem is, moeten dan maar eens uitleggen waarom de ongelijkheid tussen arm en rijk vandaag veel groter is dan bij het begin van het industriële kapitalisme.

Bezit en controle over de economie

Als het kapitalisme enkel de 1% rijksten vooruit helpt, terwijl de 99% anderen dieper in armoede en schulden terecht komen, wat is dan het alternatief op dat systeem?

Een eerste stap naar een meer rechtvaardige en gezonde samenleving, een samenleving die de groei en ontwikkeling van alle mensen centraal stelt, bestaat uit de herverdeling van de rijkdom. Waarom kunnen sommigen – zoals de Koch-broers die erfden van het oliefortuin van hun vader – hun leven beginnen met een onoverbrugbare voorsprong op diegenen die in armoede, wanhoop en ontbering geboren worden? Waarom zou iemand als hedgefund manager Stephen A. Cohen zonder aarzelen een Picasso voor 155 miljoen dollar moeten kopen om zijn villa van 60 miljoen dollar op te frissen, terwijl anderen geen dak boven het hoofd hebben, laat staan kunst in huis?

Een tweede en beslissende stap naar een meer rechtvaardige samenleving is de collectieve en democratische controle op de herverdeelde rijkdom. Neem nu de huisvesting. Als we in ons eigen huis willen wonen, moeten we bijna allemaal een lening bij de bank aangaan. Dat levert de bank heel wat winst op. Als kopers van de lening hebben we geen inbreng. De banken spelen een grote rol, maar we hebben er niets over te zeggen. Laat ons de volledige bankensector onder publiek bezit plaatsen. Niet om de controle van private bankiers over te dragen aan regeringsbureaucraten. Het publieke bezit moet gepaard gaan met de vraag wie de banken controleert en wie beslist over wat er met de beschikbare middelen gebeurt.

Er is een revolutionaire verandering nodig in de wijze waarop onze samenleving gestructureerd is. In plaats van een samenleving waar een kleine rijke minderheid beslist over het lot van de rest van ons, staan we voor een samenleving zonder klassen waar alle mensen democratisch beslisten over hoe sociale rijkdom wordt ingezet. Voor ons is dat een socialistische samenleving.

Socialisme

Het is moeilijk te voorspellen hoe een socialistische samenleving er zal uitzien, we kennen immers net de exacte historische omstandigheden die tot die mogelijkheid zullen leiden. Maar we kunnen wel een aantal principes naar voor brengen. De centrale prioriteiten zouden bestaan uit het voorzien van voedsel, kledij, onderdak, gezondheidszorg, onderwijs, mobiliteit, ontspanning,… voor iedereen.

Ten tweede zou iedereen een democratische zeg hebben in hoe hij/zij als individu en hoe de samenleving ontwikkelt. Diegenen die het dichtste bij iets betrokken zijn, zouden uiteraard meer hierover te zeggen hebben (personeel van een bepaald bedrijf zou uiteraard meer te zeggen hebben over dat bedrijf dan wie bijvoorbeeld voor een gelijkaardig bedrijf in een andere regio werkt). Een socialistisch beleid zou democratische planning vereisen. Het huidige model van groei-door-gokken biedt immers geen antwoorden op dringende kwesties als klimaatveranderingen. Zullen we auto’s en wegen blijven bouwen of gaan we het openbaar vervoer massaal uitbouwen? Hoe gebeurt dit en wie beslist? Dat zijn vragen waar de toekomstige socialistische generaties op moeten antwoorden.

De groeiende ongelijkheid is een uitdrukking van een economisch systeem in verval. De achteruitgang van de positie van de meerderheid van de bevolking en de dreigende rampzalige gevolgen van klimaatverandering stellen ons voor een duidelijke keuze: strijden voor het omverwerpen van het kapitalisme om het vervangen door socialisme, of niets doen en wegglijden in barbarij. Wij kiezen voor de eerste optie.