Text Size

Wat ze je niet vertellen over het kapitalisme

Sinds de jaren 1980 werd een extreem vrijemarktbeleid (ook wel neoliberaal beleid genoemd) gevoerd in de belangrijkste kapitalistische economieën die zich op het Anglo-Amerikaanse model baseren. Recenter hebben ook andere landen zoals Duitsland, Zweden,... zich op hetzelfde pad begeven. De basisingrediënten voor het neoliberale beleid zijn duidelijk: het dereguleren van de markten, in het bijzonder in de financiële sector. Het beperken van de overheid door het privatiseren van overheidsbedrijven en van de publieke sector. Enorme belastingsvoordelen voor de grote bedrijven en de superrijken. Een aanval op de georganiseerde arbeidersbeweging en op vakbondsrechten.

Dossier door Lynn Walsh, verschenen in Socialism Today in juli 2011, vertaald door onze Belgische zusterorganisatie

De rechtvaardiging voor al deze maatregelen luidt dat een meer efficiënte aanwending van de middelen mogelijk is met hogere groeicijfers en uiteindelijk meer welvaart voor iedereen. In zijn boek ’23 dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme’, toont Ha-Joon Chang aan dat de realiteit er anders uitziet.

Als het neoliberalisme ergens succesvol in was, dan wel in het opdrijven van de winsten, de inkomsten en het fortuin van de kapitalisten. Tussen 1979 en 2006 zagen de 1% rijksten in de VS hun deel van het nationale inkomen verdubbelen (van 10% tot 22,9%). De 0,1% rijksten deden het nog beter: hun aandeel verdriedubbelde bijna (van 3,5% tot 11,6%). Volgens de neoliberale hypothese zou dit gepaard moeten gaan met een versnelde economische groei. De cijfers van de Wereldbank ontkennen dat: na een jaarlijkse gemiddelde groei van de wereldeconomie met 3% tijdens de jaren 1960 en 1970, was er tussen 1980 en 2009 een gemiddelde groei met 1,4%.

Bovendien is de investering van kapitaal in nieuwe productiecapaciteit, de sleutel voor de ontwikkeling van nieuwe technologie en toekomstige productiviteitsstijgingen, zelfs afgenomen. “Ondanks een toenemende ongelijkheid sinds de jaren 1980, is het aandeel van investeringen als onderdeel van de nationale productie gedaald in alle economieën van de G7... en in de meeste ontwikkelende landen.” In het geval van de VS is het aandeel van investeringen afgenomen van 20,5% van het bruto nationale product in de jaren 1980 tot 18,7% (1990-2009). Bovendien viel de groei van het BBP in de VS terug van 2,6% per jaar in de jaren 1960 en 1970 naar 1,6% in 1990-2009, de hoogdagen van het aandeelhouderskapitalisme. De Britse groei nam van 2,4% af tot 1,7% in 1990-2009.

Maar Chang biedt geen degelijke verklaring voor de afname van kapitaalsinvesteringen. Hij lijkt dit toe te schrijven aan het neoliberale beleid, maar ziet niet de diep gewortelde crisis als gevolg van de overaccumulatie van kapitaal waarbij bijkomende investeringen in nieuwe productiemiddelen niet langer hetzelfde winstniveau opleveren voor investeerders die zich bijgevolg op de financiële sector richten om meer ‘waarde’ te zoeken.

Dominantie van het financiekapitaal

Kapitalistische regeringen aanvaardden de doctrine van de ‘aandeelhouderswaarde’, waarbij het er op aankomt om de kortetermijn opbrengst voor de aandeelhouders (met inbegrip van de topmanagers die deels in aandelen worden betaald) te maximaliseren. Vooral de financiële sector benadrukte het belang van aandelen, er werd steeds minder rekening gehouden met vooruitzichten op langere termijn voor de industriële bedrijven. Er werden grote winsten geboekt door fors te besparen op de kosten, in het bijzonder op de werkgelegenheid en de lonen. Dit stimuleerde de inkomsten van de aandeelhouders, waaronder ook de topmanagers, maar het leidde tegelijk ook tot de stagnatie van het inkomen van de arbeidersklasse en de middenklasse.

De inkomens van de aandeelhouders schoten pijlsnel de hoogte in, terwijl die van de arbeiders en de middenklasse stagneerden. Tussen 1980 en vandaag zijn de inkomens van bedrijfsleiders (inclusief lonen, aandelenopties,…) van een verhouding van 30 tot 40 keer het gemiddelde loon van een werknemer toegenomen tot… 300 tot 400 keer een gemiddeld werknemersloon!

Tegelijk moest een bijna volledige tewerkstelling plaats maken voor een massale werkloosheid en een opmars van tijdelijke slecht betaalde banen zonder syndicale bescherming. Het gemiddelde uurloon van een Amerikaanse arbeider in de waarde van de dollar in 2007 (en dus aangepast aan de inflatie) nam toe van 18,9$ in 1973 tot 21,34$ in 2006. Dat is een stijging met 13% op 33 jaar of slechts 0,4% per jaar. Dat komt neer op stagnatie.

De stagnatie van de inkomens van de werkenden ondermijnde de vraag naar goederen en diensten. Dit werd een tijdlang gecompenseerd door de opmars van kredieten om de consumptie op peil te houden.

Chang wijst op de groeiende dominantie van het financiekapitaal over de volledige economie. “De verhouding van de financiële middelen tot de wereldwijde productie nam tussen 1980 en 2007 toe van 1 op 2 tot 4 op 4. De relatieve omvang van de financiële sector was zelf nog groter in vele rijke landen.... De verhouding van de financiële producten tot het bbp in Groot-Brittannië bedroeg in 2007 700%.” De neoliberale politiek was bijzonder succesvol in het opdrijven van de winsten van de financiële sector. Maar het leidde niet tot een algemene groei, meer productiviteit, laat staan betere levensvoorwaarden voor de meerderheid van de bevolking. Een lage inflatie kwam de kredietverstrekkers goed uit, maar het hield tegelijk de groei van de industrie tegen. Ondanks tal van ‘financiële innovaties’, in het bijzonder de verschillende derivaten (die de risico’s zogezegd moesten minimaliseren of zelfs uitschakelen), nam de onstabiliteit toe met als resultaat een reeks belangrijke financiële crises die terug gaan tot de Aziatische schuldencrisis van 1997 en een hoogtepunt kenden in de crisis van 2007-2009.

Chang toont aan dat het kapitalisme zelfs volgens zijn eigen criteria faalt. Ieder hoofdstuk in zijn boek begint met “Wat ze je vertellen” waarin hij een korte samenvatting brengt van de neoliberale doctrine. Dat wordt beantwoord in “Wat ze je niet vertellen”, waarin de realiteit van het globale kapitalisme wordt geanalyseerd. Zijn argumenten worden sterk onderbouwd met cijfermateriaal. Hij wijst op de fundamenten van de tegenstellingen in het kapitalisme en over economische planning. Chang is afkomstig uit Zuid-Korea en is nu professor economie aan Cambridge. Hij gaat in tegen de heersende economische orthodoxie. Maar hij gaat spijtig genoeg niet verder dan de grenzen van het kapitalisme.

Een ideologisch offensief

Chang erkent de belangrijke rol van de vrijemarktideologie. Nationale regeringen in de ontwikkelde kapitalistische landen hebben hun economische en politieke macht gebruikt om een neoliberaal beleid te voeren. Internationale instellingen zoals het IMF, de Wereldbank en de Wereldhandelsorganisatie (gesteund door de globale financiële markten), hebben hun macht gebruikt om de ‘consensus van Washington’ (het neoliberale beleid) algemeen op te leggen in de semi-ontwikkelde en arme landen. Chang wijst er terecht op dat ideologische invloed een belangrijke rol speelde. Het einde van de naoorlogse economische groei betekende ook dat de Keynesiaanse ideologie en beleid (met tussenkomsten van de overheid, hoge sociale uitgaven en pogingen om de nationale economie te controleren) niet langer aan de periode aangepast waren.

Het Keynesianisme maakte plaats voor het monetarisme van Milton Friedman en de “Chicago-school” (onder meer berucht om de wijze waarop Chili onder Pinochet als testlaboratorium voor het neoliberalisme werd gebruikt). Dit ging vervolgens gepaard met een veel bredere neoliberale agenda. Chang stelt dat de “managersklasse” (correcter is: de kapitalistische zakenelite en haar politieke bondgenoten) haar economische en politieke invloed aanwendde om de vrijemarktideologie te verspreiden. Dat leidde tot vrijspel voor de speculanten. Dit bleek onder meer toen Alan Greenspan als hoofd van de Amerikaanse Federal Reserve voor de superkredieten zorgde die tot een reeks zeepbellen zou leiden. Na de financiële ineenstorting in 2008 moest hij na de feiten toegeven dat hij verkeerd was toen hij dacht dat de markten zichzelf steeds reguleren.

‘Ideologie’ kan worden gebruikt als neutrale omschrijving van een geheel van opvattingen of een denkrichting. In deze context verwijst ideologie naar ideeën, meer bepaald het neoliberalisme, die worden voorgesteld als een accurate en zelfs wetenschappelijke voorstelling van de sociaaleconomische realiteit terwijl het gaat om een totaal eenzijdige en vervormde voorstelling van de realiteit. Deze zogenaamd objectieve ideeën verbergen de belangen van specifieke sociale groepen, in het bijzonder de grote kapitalisten in de ontwikkelde kapitalistische landen en vooral de financiële kapitalisten. Het is zo klaar als een klontje dat de uitbreiding van marktverhoudingen voordelen biedt aan wie op de markten actief is, de grote financiële instellingen en de rijke speculanten. Om deze politiek vervelende indruk tegen te gaan, wordt een leger van economen ingezet om aan te tonen dat de markt de beste, en zelfs de enige, wijze is om de economie te organiseren. Het centrale uitgangspunt van de gevestigde economen is dat er “geen alternatief is” (There is no alternative, Tina).

Chang benadrukt dit punt op een sterke wijze: “Het vrije markt beleid, ook bekend als het neoliberale beleidspakket, benadrukt lage inflatie, meer mobiliteit voor kapitaal en een grotere jobonzekerheid (eufemistisch omschreven als meer flexibiliteit op de arbeidsmarkt). Dit wordt vooral gedaan omdat het de belangen van de houders van financiële waardepapieren dient.”

Hij legt ook uit waarom dit beleid de financiële kapitalisten goed uitkomt: de controle op de inflatie wordt benadrukt omdat heel wat financiële waarden een vaste nominale opbrengst kennen, waardoor inflatie de reële opbrengst beperkt. Meer mobiliteit van kapitaal wordt aangemoedigd omdat het de belangrijkste bron blijft om grotere opbrengsten te realiseren op basis van financiële middelen, meer mobiliteit betekent dat de middelen sneller kunnen worden verhandeld. Meer flexibiliteit op de arbeidsmarkt wordt vanuit het standpunt van de financiële investeerders verdedigd omdat het dan gemakkelijker wordt om mensen aan te nemen en af te danken, zodat bedrijven sneller kunnen geherstructureerd worden om sneller opnieuw verkocht te worden. Dat leidt tot betere financiële resultaten.

Vanaf de jaren 1980, met de contrarevolutie van Thatcher (Groot-Brittannië) en Reagan (VS), leverden voorheen geïsoleerde economen zoals Friedman een intellectuele ondersteuning van het monetaire beleid. Dat beleid had als doel om het systeem aan te passen aan de nieuwe materiële omstandigheden van de samenleving en om de verhouding tussen arbeid en kapitaal te herdefiniëren (in het voordeel van die laatste). Het feit dat belangrijke kapitalistische economieën tot een meer brutaal marktbeleid overgingen (met onder meer het terugdringen van de sociale uitgaven van de staat), zorgde ervoor dat het monetarisme en gelijkaardige doctrines een opgang kenden. Ze zorgden voor een theoretische rechtvaardiging voor het extreme vrijemarktbeleid.

Dit wil niet zeggen dat de neoliberale ideologie slechts een passieve rol speelde door intellectuele steun aan te bieden eens de nieuwe verhoudingen ontwikkelden. De neoliberale ideologie werd door de heersende klasse, zeker de Anglo-Amerikaanse heersende klasse en zeker na de val van de stalinistische regimes, gebruikt als een politiek wapen om de marktverhoudingen op wereldvlak uit te breiden en te verdiepen. In afwezigheid van een ideologisch alternatief vanwege de leiders van de traditionele arbeiderspartijen, konden de neoliberale opvattingen ingang vinden onder bijna alle lagen van de publieke opinie en werd een brede electorale steun gecreëerd voor een vrijemarktbeleid.

De rol van de neoliberale economen

Chang brengt een reeks stevige kritieken op de vrijemarkteconomen, de economen die de stiel domineren op dit ogenblik. Hij schrijft: “De afgelopen drie decennia heeft de groeiende invloed van de aanhangers van de vrije markt onder de economen geleid tot slechtere economische prestaties in heel de wereld.” Hij stelt vast dat de landen die periodes van ‘mirakelgroei’ kenden - zoals Japan, Zuid-Korea en recenter ook China – in feite beheerd werden door advocaten en ingenieurs, niet door economen. Als de vrijemarkteconomen tussenkomen in semi-ontwikkelde economieën zoals in Chili, waar de monetaristische ‘Chicago Boys’ de dictatuur van Pinochet adviseerden, was de versnelde economische groei gebaseerd op een harde aanval op de levensstandaard van de werkende bevolking en de systematische onderdrukking van democratische rechten. Chang stelt: “Er zijn redenen om aan te nemen dat economen de economie schade toebrengen”, althans voor “de meeste mensen”.

Chang verwijst naar een incident toen de koningin een bezoek bracht aan de London School of Economics in juni 2009. Het was alsof de fabel van de nieuwe kleren van de keizer werd omgedraaid. Toen ze het over de grote recessie had, vroeg de naïeve monarch aan de verzamelde economen: “Hoe komt het dat niemand dit zag aankomen?”. Moest de koningin de afgelopen jaren ons materiaal hebben gelezen, ze zou minder verbaasd zijn over de crisis. Maar de economen waren in verlegenheid gebracht door een dergelijke eenvoudige vraag. Twee professoren, Tim Besley en Peter Hennessy, probeerden een antwoord te formuleren in een brief van 22 juli 2010. Ze stelden dat individuele economen op zich goed werk leveren, maar dat er sprake was van het “falen van de collectieve verbeelding van heel wat slimme mensen in het begrip van de risico’s voor het volledige systeem.”

Chang gaat bewust in tegen de stelling dat economen maar “onschuldige technici” zijn die goed werk leveren tot er een onvoorspelbare crisis toeslaat. De afgelopen drie decennia hebben “economen een belangrijke rol gespeeld in het creëren van de voorwaarden voor de crisis van 2008… door de theoretische rechtvaardiging voor de financiële deregulering en de onbeperkte zoektocht naar winsten op korte termijn aan te bieden.” De economen brachten theorieën naar voor waarmee het beleid werd gerechtvaardigd dat uiteindelijk tot tragere groei leidde, meer ongelijkheid, jobonzekerheid en een meer intensieve uitbuiting van onderontwikkelde landen.

Maar Changs verklaring van de rol van de vrijemarkteconomen kent heel wat zwaktes. “Het is mogelijk”, zegt hij, “dat de economie die aan de universiteit wordt onderwezen te ver van de realiteit af staat om van praktisch nut te zijn”. Hij gelooft dat er “nood is aan een ander soort economie.”

In feite pleit Chang er voor om de ‘slechte’ economen te vervangen door ‘goede’ collega’s. Dergelijke goede economen zouden opkomen voor investeringen die oog hebben voor de langere termijn en ze zouden opkomen voor technologische vernieuwing. Ze zouden zich baseren op een “genuanceerde visie op het kapitalisme, niet de simplistische vrijemarkt standpunten.” Een genuanceerd beeld zou opkomen voor een complexe mengeling van “markten (publieke en private), bureaucratieën en netwerken.”

Chang suggereert dat goede economen hun ideeën zouden halen uit een eclectische mengeling van economen: Karl Marx, Friedrich List (een conservatieve nationalist), John Maynard Keynes, Joseph Schumpeter (die een theorie van lange golven verdedigde waarbij er ook periodes van ‘creatieve destructie’ waren), Hyman Minsky (die een Keynesiaanse visie op de financiële crisis had) en andere Keynesianen.

De kritiek van Chang op de vrijemarkteconomen is correct, maar daar blijft het bij. Hij begrijpt niet waarom deze economen het pleit wonnen. Dat was niet omdat de slechte economen het haalden van de goede. De opkomst van het neoliberale economische beleid was een uitdrukking van diepgewortelde veranderingen in de ontwikkelde kapitalistische landen met de opkomst van nieuwe economische krachten die enthousiaste bondgenoten vonden onder de economen. De grote financiële instellingen stellen legers van economen tewerk (aan hoge lonen en met bijhorende bonussen) om de winstgevendheid van investeringen op korte termijn te onderzoeken. Academici voorzien de theoretische argumenten voor de ultraliberale vrije markt. Economen zoals Chang die tegen de neoliberale orthodoxie ingaan, zijn rare vogels in academische kringen.

Hoe de economie plannen?

De fundamentele tegenstelling van het kapitalisme is dat het productieproces gesocialiseerd is terwijl de eigendom van de productiemiddelen in privé-handen is. De huidige kapitalistische productie vereist een grote graad van sociale organisatie. Chang haalt dit vooral aan om zijn standpunt tegen de foutieve ideeën van neoliberale economen te onderbouwen, die economen stellen immers dat succes onder het kapitalisme het resultaat is van visionaire ondernemers die als individuen concurreren op een vrije markt die een arena voor competitie vormt. Chang erkent dat Marx vaststelde dat het private bezit van de productiemiddelen en de concurrentie elke vorm van planning verhinderen. Het leidt tot een anarchistische productie die leidt tot periodieke crisissen. De oplossing van Marx, een centrale planning, wordt evenwel verworpen.

De taakverdeling tussen verschillende bedrijven is exponentieel toegenomen, bedrijven zijn hierdoor ook steeds meer van elkaar afhankelijk. Het sociale karakter van het productieproces is nog versterkt. Chang wijst er op dat grote bedrijven hun grote winsthonger enkel bevredigen door de steun van publieke instellingen zoals het rechtssysteem, het onderwijs, de opleiding van arbeiders, publieke subsidies voor onderzoek en ontwikkeling,…

Het private bezit van concurrerende bedrijven maakt het “onmogelijk om de acties van die onafhankelijke bedrijven te coördineren.” Chang wijst er terecht op dat de onmogelijkheid van gecoördineerde productie een bron van de periodieke economische crisis vormt. Hij heeft het echter niet over de uitbuiting in het zenuwcentrum van het kapitalistische systeem: het feit dat de kapitalisten zich de meerwaarde (in de vorm van winst) toe-eigenen terwijl het gaat om rijkdom geproduceerd door de arbeid van de werkende bevolking bovenop en naast wat die werkenden als loon betaald krijgen. Chang lijkt evenmin sympathie te hebben voor het argument van Marx dat “deze systematische tegenstelling in de ontwikkeling van het kapitalisme steeds groter wordt waardoor volgende economische crises steeds heviger worden, waarbij uiteindelijk het hele systeem wordt neergehaald.”

Chang vat de argumentatie van Marx voor een centrale planning samen. “Alle productiemiddelen zijn in handen van de volledige samenleving en hierdoor is het mogelijk om de activiteiten van onderling afhankelijke productie-eenheden op voorhand te coördineren met een eengemaakt plan. Ieder mogelijk coördinatieprobleem kan worden opgelost voor het zich stelt, zodat de economie niet langer door periodieke crises moet om vraag en aanbod op elkaar af te stemmen. Onder een centrale planning zou de economie exact produceren wat nodig is. Er zouden geen grondstoffen verloren gaan aangezien er geen economische crisis zou zijn. Het systeem van centrale planning zou, zo werd gesteld, de economie veel efficiënter beheren dan het marktsysteem.”

Maar dat was volgens Chang slechts theorie. “Jammer genoeg werkte de centrale planning niet in de praktijk”. Die verwerping van een planmatige aanpak als alternatief op het kapitalisme komt voort uit het falen van de planning in de Sovjetunie en in Oost-Europa. Het verwerpen van economische planning is een van de belangrijkste gevolgen van de ineenstorting van de zogenaamde ‘communistische’, het waren eigenlijk stalinistische, regimes in Oost-Europa vanaf 1989/90. Zoals de meeste critici, met inbegrip van linkse critici, maakt Chang geen onderscheid tussen het soort planning dat Marx voor ogen had en wat er gebeurde onder de stalinistische dictatuur. Het falen van de stalinistische planning kwam voort uit de omstandigheden waarin het tot stand kwam, dit falen bewijst niet dat een planmatige aanpak nooit zal werken.

Waarom de stalinistische planning mislukte

De verklaring van Chang voor het mislukken van de planning in de Sovjetunie voldoet niet, het is ontdaan van ieder historisch perspectief. Hij verwijst niet naar het feit dat Rusland aan het begin van de 20ste eeuw een economisch en cultureel achtergebleven land was waar de arbeidersklasse slechts een kleine minderheid van de bevolking vormde, ook al stond die arbeidersklasse politiek sterk. De leiders van de Russische revolutie, Vladimir Lenin en Leon Trotski, dachten niet dat het socialisme enkel in Rusland zou worden opgebouwd, geïsoleerd van de ontwikkeling van socialistische revolutie in de meer ontwikkelde kapitalistische landen. Omwille van een reeks van redenen bleef de revolutie geïsoleerd en zorgde het achtergebleven karakter van Rusland ervoor dat er ruimte was voor de ontwikkeling van een bureaucratische laag die de samenleving domineerde. Stalin was de politieke vertegenwoordiger van de bureaucratie. Hij voerde een politieke contrarevolutie door waarbij alle elementen van arbeidersdemocratie die in 1917 werden gevestigd overboord werden gegooid en waarbij een totalitair regime op poten werd gezet.

Aanvankelijk was de bureaucratie in staat om basisindustrie te ontwikkelen op basis van een centraal plan, zo moet Chang erkennen. Maar naarmate de economie ontwikkelde, was er steeds meer sprake van wanbeheer, verspillingen en kromtrekkingen. Chang schrijft dat toe aan de groeiende ‘complexiteit’ van de economie. Dat geldt tot op zekere hoogte, maar het gaat voorbij aan het fundamentele punt: onder het stalinistische regime was er geen democratie. De arbeidersklasse was politiek uitgeschakeld en mocht geen enkele rol spelen in het beheer van de economie. Er was geen feedback van onderuit om de planning aan te passen en te verfijnen. Lokale managers waren bureaucraten, agenten van de centrale bureaucratie.

Op basis van een planmatige aanpak kon de Sovjetunie de basis leggen voor een moderne industriële economie, maar dit ging ten koste van een enorme prijs die door de arbeidersklasse werd betaald. De planning liet de Sovjetunie toe om de barbaarse slachtpartij van nazi-Duitsland een nederlaag toe te brengen tijdens de Tweede Wereldoorlog. De planning leidde er toe dat de bevolking een grote sociale vooruitgang kende op het vlak van tewerkstelling, huisvesting, gezondheidszorg en onderwijs. Maar de kwaliteit van consumptiegoederen was bijzonder slecht. In de jaren 1970 begon de micro-elektronische technologie op internationaal vlak door te breken, maar het werd steeds meer duidelijk dat de bureaucratie niet in staat was om nieuwe technologie systematisch ingang te laten vinden in de ontwikkeling van productie en in de planning. Het wanbeheer en de corruptie van de bureaucratie met een toenemende ontwrichting van de centrale planning zouden uiteindelijk leiden tot de ineenstorting van de stalinistische economieën begin jaren 1990.

Dit had ongetwijfeld een enorme ideologische impact. De kapitalistische klasse begon een nooit gezien ideologisch offensief om te bewijzen dat het ‘communisme’, ‘socialisme’ en de centrale planning niet werken en zelfs niet kunnen werken. Het falen van de planning onder specifieke historische omstandigheden toont echter niet aan dat een planning nooit kan werken. Het falen van het stalinisme toont bovendien zeker niet aan dat het kapitalisme een houdbaar systeem is waarop geen enkel alternatief mogelijk is.

Een socialistische economische planning zou er vandaag in de economisch ontwikkelde landen anders uitzien dan wat de stalinistische planning in de Sovjetunie inhield (en zoals het werd gekopieerd in Oost-Europa, China, Cuba,…). Er is ten eerste de economische, technische en culturele basis voor een veel sterker ontwikkelde vorm van economie. Dat was in de Sovjetunie na 1917 niet het geval. Tegelijk is de arbeidersklasse vandaag veel sterker ontwikkeld, waardoor een mobilisatie om een socialistische verandering door te voeren zou leiden tot een democratische controle op zowel de nieuwe socialistische staat als op de economie.

Democratisch verkozen comités zouden een economische planning opmaken dat voortdurend zou worden aangepast en verfijnt door lokale comités. De sleutelsectoren van de economie moeten worden genationaliseerd en bijgevolg in publieke handen komen zodat een coördinatie tussen de verschillende productie-eenheden mogelijk wordt en dit gericht op de behoeften van de meerderheid van de bevolking en met inachtneming van ons milieu. Dit betekent niet dat alle kleine bedrijven genationaliseerd zouden worden, ze zouden onderdeel worden van een wereldwijde planning. Een centrale planning is geen utopie. Dat maakten verschillende staten duidelijk tijdens de twee wereldoorlogen, toen werden grootschalige elementen van planning doorgevoerd in het kader van de oorlogsinspanningen.

Elementen van planning binnen het kapitalisme

Chang verwerpt de centrale planning, maar wijst net zoals Marx wel op elementen van planning binnen het kapitalisme. Marx kwam niet zomaar op het idee van een centrale planning. Hij baseerde zijn standpunten op bestaande tendensen binnen het kapitalisme: de toenemende tendens van de staat om tussen te komen om de economie te reguleren en grote bedrijven over te nemen, onder meer op het vlak van diensten, en de elementen van planning binnen kapitalistische bedrijven die in een schril contrast staan met de anarchistische concurrentie tussen bedrijven op de markt. Chang geeft enkele recentere voorbeelden, maar hij doet dit opnieuw enkel als argument tegen het neoliberalisme en niet als alternatief op het kapitalisme.

Chang wijst er op dat er zowel tijdens de Eerste als de Tweede Wereldoorlog massaal elementen van centrale planning worden doorgevoerd in de belangrijkste kapitalistische economieën. Dit gebeurde om te voorzien in munitie en industriële materialen. De eigendom van de productiemiddelen bleef in handen van de kapitalisten, die nadien terug de controle over de industrie overnamen (met uitzondering van de sectoren die zo goed als in elkaar waren gestuikt zoals de steenkool- en de staalsector). Chang verwijst naar de tussenkomsten van de staat in landen als Japan, Zuid-Korea, Taiwan,… toen die landen een snelle economische groei kenden na de Tweede Wereldoorlog.

Het belangrijkste is wellicht de planning die plaatsvindt binnen kapitalistische bedrijven. “Moderne kapitalistische economieën bestaan uit grote, hiërarchische bedrijven die hun activiteiten tot in de kleinste details plannen, zelfs over nationale grenzen heen”, stelt Chang vast. Heel wat van die bedrijven kampen overigens met dezelfde bureaucratische ontwrichtingen als de vroegere stalinistische staten.

Chang volgt het argument van Marx: “Als Marx het had over planning, dan was er geen enkele bestaande regering die dit toepaste. Op dat ogenblik waren enkel bedrijven gepland. Wat Marx voorspelde, was dat de ‘rationele’ planmatige benadering van de kapitalistische bedrijven uiteindelijk superieur zou blijken te zijn tegenover de verspillende anarchie van de markt en bijgevolg zou uitgebreid worden tot de volledige economie. Om zeker te zijn dat zijn standpunt werd begrepen, bekritiseerde hij ook de planning binnen de bedrijven als een vorm van despotisme door kapitalisten.”

Chang wijst er op dat “de omvang van planning in de kapitalistische economie in feite is toegenomen.” Zo wordt geschat dat een derde tot de helft van de internationale handel bestaat uit transfers of handel tussen verschillende eenheden van multinationals.

“Tussen planning binnen bedrijven en verschillende vormen van planning door een regering in, is er een grote mate van planning van kapitalistische economieën.” Dat klopt. Maar de grote bedrijven beconcurreren elkaar in de zoektocht naar winst, zeker op de internationale financiële markten is er een bijzonder intensieve concurrentie. Dat is zo ondanks het feit dat er een vorm van planning binnen de bedrijven is. Uiteindelijk overheerst het irrationele element van concurrentie op de markten nog steeds op de elementen van rationele planning binnen bedrijven en doorheen overheidstussenkomsten. Dat is waarom het kapitalisme opnieuw in een diepe crisis is terecht gekomen, de ergste crisis sinds de jaren 1930.

Chang erkent dat er elementen van planning bestaan onder het kapitalisme, maar hij denkt verkeerdelijk dat er een grote overgang mogelijk is naar planning in het volledige systeem zonder dat er fundamentele veranderingen zouden plaatsvinden. Chang haalt Marx aan om zijn kritiek op het huidige vrijemarkt kapitalisme te versterken. Maar hij stopt op alle vlakken voor de consequenties en de conclusies van wat Marx stelde. Hij stopt telkens om terug te keren naar het idee dat er toch een vorm van ideaal kapitalisme mogelijk moet zijn. Hij pleit voor “een moderne economie waarbij het beleid van de regering, de planning van de bedrijven en de marktverhoudingen allemaal cruciaal zijn en op een complexe wijze met elkaar in verbinding staan.”

Een “beter” kapitalisme?

Chang verwerpt het vrijemarktmodel van het kapitalisme, dit model leidde immers tot de ramp van de financiële crisis van 2008 en stortte de wereldeconomie in een depressie. “De afgelopen drie decennia werd aangetoond dat het vrijemarkt kapitalisme de economie vertraagt, de ongelijkheid en de onzekerheid doet toenemen, en leidt tot meer frequente (en soms grotere) financiële crashes.” Daarom concludeert hij: “De moeilijke taak die voor ons ligt is om de wereldeconomie opnieuw op te bouwen.” Hij wil daar ver in gaan: “We moeten de volledige wijze waarop we onze economie en samenleving organiseren in vraag stellen.” Het klinkt bijna revolutionair! Maar Chang tempert meteen: “Mijn kritiek is gericht tegen het vrijemarkt kapitalisme, niet tegen elke vorm van kapitalisme.”

“Er is geen ideaal model”. En dus probeert Chang een nieuw kapitalistisch model te creëren, of toch minstens te bedenken. Zoals een enthousiaste klant in een supermarkt, pikt hij hier en daar een product mee vanop de rekken van de globale winkel.

In zijn model zouden er elementen worden overgenomen van de Scandinavische economieën met een sterk ontwikkelde sociale zekerheid (althans, dat was tot voor kort het geval). Cijfers in het boek tonen aan dat deze landen een grotere groei kenden dan de VS en de meeste economieën die zich puur op het vrijemarktbeleid baseerden. Chang selecteert ook enkele elementen van het Zuidoost en Oost-Aziatische model. Hij keek instemmend naar de rol van de staat in de fundamenten van moderne industriële economieën als Japan, Zuid-Korea, Taiwan en andere landen in de regio. Er is in het model van Chang ook plaats voor een vorm van ‘indicatieve planning’ zoals dit bestaat in landen als Frankrijk waar de regering subsidies en belastingsvoordelen gebruikt om bepaalde industriële sectoren te stimuleren en te beschermen. Er is ook een rol weg gelegd voor de markt, maar die zou veel meer aan banden gelegd worden.

Op basis van dit model zou ere een terugkeer zijn naar een Keynesiaans type van economisch beleid. De sociale uitgaven zouden beschermd worden, thuisproductie zou aangemoedigd worden. Er zou een poging zijn tot macro-economisch beheer van de nationale economieën (wat een vorm van bescherming tegen kapitaalvlucht op korte termijn veronderstelt). Regeringen zouden fors investeren in onderzoek en ontwikkeling, ze zouden langetermijn investeringen in nieuwe technologie aanmoedigen. Arme en semi-ontwikkelde landen zouden hun eigen industrie mogen beschermen tot ze op eigen benen kunnen staan (net zoals de ontwikkelde kapitalistische landen dit in het verleden deden). Verlicht zelfbelang, op basis van de erkenning van doelstellingen op langere termijn en sociale behoeften, zou in de plaats komen van een meedogenloos nastreven van winstmaximalisatie op korte termijn. De markt zou een rol spelen, maar het zou gecontroleerd worden, het zou slechts een onderdeel van de economie vormen. Chang pleit met andere woorden voor een “beter kapitalisme”. Dit is de afgelopen periode een vaak terugkerend idee onder linkse reformisten. Zij zullen ongetwijfeld argumenten vinden in het boek van Chang. Maar hoe zou een dergelijk nieuw model van kapitalisme tot stand komen? De benadering van Chang is compleet onhistorisch en ontdaan. De onderdelen die hij voor zijn model selecteerde, waren allen het product van specifieke historische omstandigheden in specifieke landen. Ze ontwikkelden op basis van de reële economische krachten en wereldverhoudingen die toen bestonden.

Zo kwamen de sociaaldemocraten in de periode voor de Tweede Wereldoorlog in Zweden aan de macht omwille van de sterkte van de arbeidersbeweging. Tijdens en na de oorlog kende het Zweedse kapitalisme relatief gunstige omstandigheden. Tegen die achtergrond kwam een sterk ontwikkelde sociale zekerheid tot stand in het land. Het Japanse, maar ook het Zuid-Koreaanse, Taiwanese,… kapitalisme ontwikkelde in de naoorlogse periode onder de paraplu van het VS-imperialisme dat economische steun aan deze landen bood omdat ze een strategische buffer vormden tegen China, waar de revolutie van 1949 tot een gewijzigde situatie had geleid.

Omwille van historische redenen heeft de staat altijd een belangrijke rol gespeeld in de Japanse economie. Maar Chang moet erkennen dat er slechts een erg beperkte ontwikkeling van sociale voorzieningen was in Japan. De industriële basis van Zuid-Korea werd opgebouwd onder de verschrikkelijke dictatuur van Park Chung-hee. Ook hier was er geen sprake van sociale voorzieningen voor de arbeiders of de arme boeren. De afgelopen periode kenden zowel Japan als Zuid-Korea een periode van erg zwakke groei of stagnatie. Zuid-Korea is daarop overgegaan tot het doorvoeren van meer neoliberale maatregelen. Maar ook Zweden heeft de afgelopen jaren, zowel onder sociaaldemocratische als onder rechtse regeringen, de sociale zekerheid steeds verder afgebouwd om een grotere rol aan de markt toe te bedelen.

Groot-Brittannië, de VS en andere ontwikkelde kapitalistische landen voeren vanaf 1980 een neoliberale koers. Dit was niet gewoon een verandering van het beleid, het was een gevolg van een onderliggende verandering in de economische verhoudingen. Op het einde van de jaren 1960 stonden de economische verhoudingen van de lange periode van groei na de oorlog onder druk. Na een periode van ‘stagflatie’ (lage groei gecombineerd met hoge inflatie), begonnen kapitalistische regeringen, te beginnen met Thatcher en Reagan, een nieuwe benadering aan te nemen. Een centraal element in de crisis was de dalende winstgevendheid. Dit veroorzaakte onder de kapitalisten een draai naar de financiële sector als bron van winsten.

De enorme deregulering van de financiële markten, eerst in Groot-Brittannië en daarna in de VS en de andere grote economieën, zette de deur open voor de financiële speculatie van de vrije markt. Dit leidde tot een dominantie van het financiekapitaal, zoals Chang het ook beschrijft. Deze dominantie was niet het gevolg van een verkeerde ideologie of een fout beleid. Het was een uitdrukking van de diepgaande crisis van overaccumulatie onder het kapitalisme. Dit betekende dat nieuwe investeringen in de ontwikkeling van productiemiddelen niet langer de winstniveaus opleverde die de kapitalisten wensten. De draai naar de financiële sector, die een versnelling hoger schakelde vanaf het midden van de jaren 1990, was een uitdrukking van de onderliggende crisis.

De noodzaak van een socialistisch alternatief

Het neoliberale kapitalisme is niet gewoon een fout of een schadelijke modetrend die wel zal voorbijgaan. Het is een uitdrukking van de fundamentele aard van het kapitalisme vandaag. Chang zegt dat hij het winstmotief en de markt aanvaard. Maar hij denkt verkeerdelijk dat deze aan banden kunnen worden gelegd op basis van een politiek beleid. Zo denkt hij dat het mogelijk is om opnieuw langetermijn investeringen te doen op basis van de ontwikkeling van nieuwe technologie. Maar de kapitalisten hebben die benadering al grotendeels opgegeven. Dat was mogelijk in de eerste periode van de naoorlogse groei, maar nadien was de winstgevendheid te beperkt daarvoor.

De markt is niet gewoon een machine, het is geen neutraal mechanisme dat door verlichte regeringen kan worden gebruikt om meer welvaart voor iedereen te creëren. De markt is een arena voor concurrentiële strijd tussen de grote bedrijven en financiële instellingen die er op uit zijn om de arbeidersklasse sterker uit te buiten om hun winsten te versterken. Dat leidt onvermijdelijk tot een groeiende sociale polarisatie tussen rijk en arm, maar ook tot een toenemende internationale ongelijkheid.

Het is niet mogelijk om de wereldeconomie volledig “opnieuw op te bouwen” op basis van een rationele oproep aan verlichte kapitalisten. Fundamentele verandering zal er enkel komen door die sociale krachten te mobiliseren die verandering kunnen afdwingen, in het bijzonder de arbeidersklasse. Verandering kan enkel op basis van een wijziging in de eigendomsverhoudingen van de sleutelsectoren van de economie, de grote bedrijven en de financiële instellingen. Dat is wat de economische planning die Marx voor ogen had op nationaal en internationaal vlak vereist.

Chang aarzelt om die stap te zetten. Hij denkt dat het neoliberale kapitalisme kan worden omgevormd tot een zachte variant van het kapitalisme dat wordt geleid door verlichte leiders. Dit project is gedoemd om te mislukken. Het kapitalisme staat voor een periode van depressie en de mogelijkheid van nog meer en diepere crises. De gevolgen hiervan voor de arbeidersklasse en de arme boeren zijn rampzalig. Om onze levensstandaard en onze democratische rechten te verdedigen, moeten we strijden tegen het kapitalisme en opkomen voor een andere samenleving, een socialistische samenleving. Zo’n samenleving zou leiden tot meer welvaart, meer gelijkheid, sociale zekerheid, degelijk onderwijs voor iedereen, technologische vooruitgang,… Dat zijn allemaal zaken die Chang belangrijk vindt, maar die enkel mogelijk zijn op basis van de socialistische economische planning die voor Chang jammer genoeg een stap te ver is.