Text Size

Abram Leon: de mythe van het racisme

In zijn boek ‘Hoe het jodendom de geschiedenis kon overleven’ (1942) bracht de Belgische trotskist Abram Leon ook een scherpe analyse van racisme in het algemeen en meer specifiek van de argumenten van de nazi’s tegen de Joodse bevolking.

Uittreksel uit het boek Hoe het jodendom de geschiedenis kon overleven

“De ideologie is een bedrijvigheid die de zogezegde denker volbrengt en dit met een bewustzijn, maar met een vals bewustzijn. De ware drijfveren die hem bewegen, blijven onbekend. Anders zou er geen sprake zijn van een ideologische bedrijvigheid. Ook verbeeldt hij zich valse drijfveren of schijnbare.” (Engels aan Mehring, 14 juli 1983).

Tot nu toe hebben we getracht de ware basis van het antisemitisme te begrijpen. Maar het volstaat de rol te zien van het miserabele document van de tsaristische Ochrana, De Protocollen van de Wijzen van Sion, in de verspreiding van het antisemitisme om het belang van de ‘valse of schijnbare drijfveren’ van het antisemitisme te beschrijven. Vandaag is het ware motief van het antisemitisme, de economische concurrentie van de kleinburgerij, ook in de propaganda van Hitler van geen enkel belang. De meest fanatieke aantijgingen uit de Protocollen van de Wijzen van Sion, ‘de plannen van het internationaal Jodendom om de wereld te overheersen’, daarentegen duiken steeds op in iedere toespraak van Hitler, in ieder manifest. Dus moeten we dit mythische, ideologische aspect van het antisemitisme nader onderzoeken.

De godsdienst is het beste voorbeeld van een ideologie. De ware achtergrond van een godsdienst moet worden gezocht op het zeer prozaïsche domein van de materiële belangen van één klasse. In de meer hemelse sferen vinden we de schijnbare drijfveren. De God die tegen de Engelse aristocratie en tegen Karel I de fanatieke puriteinen van Cromwell hun pijlen liet afschieten, was nochtans niets anders dan de weerspiegeling of het symbool van de belangen van de Engelse boeren en de bourgeoisie. Elke religieuze revolutie is in feite een sociale revolutie.

Het is de ongeremde aangroei van de productiekrachten die botst op de begrenzing van de consumptie die de ware drijfveer voor het imperialisme, het laatste stadium van het kapitalisme, vormt. Maar het is het ‘ras’ dat de schijnbare drijfveer is die het beste het imperialisme tekent. Het racisme is dus in de eerste plaats de ideologische vermomming van het moderne imperialisme. Het ‘ras dat strijdt voor zijn levensruimte’ is niets anders dan de afspiegeling van de permanente noodzaak tot expansie van het financiële en het monopoliekapitalisme.

Door de fundamentele tegenstelling binnen het kapitalisme, de tegenstelling tussen productie en consumptie, ziet de hoge burgerij zich verplicht te strijden voor de verovering van de buitenlandse markten. De kleinburgerij echter ziet zich verplicht om te strijden voor de uitbreiding van de binnenlandse markt. Het tekort aan uitwegen voor de grootkapitalisten buiten de grenzen gaat hand in hand met het tekort aan uitwegen voor de kleine kapitalisten binnen de grenzen. Terwijl de hoge burgerij als een razende tekeer gaat tegen haar concurrenten op de buitenlandse markt, zo bestrijdt de kleinburgerij haar concurrenten op de binnenlandse markt niet minder heftig. Het racisme bestemd voor het buitenland begeleidt dus het ‘racisme’ bestemd voor het binnenland. De ongemene verscherping van de tegenstellingen binnen het kapitalisme in de 20ste eeuw heeft zowel het ‘racisme’ bestemd voor het buitenland als het ‘racisme’ bestemd voor het binnenland tot een kookpunt gebracht.

Het jodendom, in de eerste plaats commercieel en artisanaal, is een erfenis uit een lang historisch verleden. Maar het werd aldus op de binnenlandse markt de vijand nr. 1 van de kleinburgerij. Precies het kleinburgerlijke kenmerk van het jodendom doet het zo verfoeilijk overkomen in de ogen van de kleinburgerij. Maar zo het historische verleden een doorslaggevende invloed heeft op de huidige sociale structuur van het jodendom, dan heeft dit verleden een niet minder belangrijke invloed op de manier waarop de joden worden weergegeven in het bewustzijn van de volkse massa. Voor hen blijft de jood de traditionele vertegenwoordiger van ‘de macht van het geld’.

Dit feit is van groot belang, want de kleinburgerij is niet alleen een ‘kapitalistische’ klasse, te zeggen een klasse in ‘miniatuur’, een bewaarster van alle tendensen die binnen het kapitalisme voorkomen; zij is ook ‘antikapitalistisch’. De kleinburgerij is er zich heel goed van bewust, hoewel vaag, dat ze geruïneerd en kaalgeschoren werd door het grootkapitaal. Maar door haar hybride karakter, haar interklasse positie, kan ze de werkelijke structuur van de maatschappij niet begrijpen noch de werkelijke aard van het grootkapitaal. Ze is niet in staat om de echte ontwikkelingen van de sociale evolutie te vatten want ze heeft het voorgevoel dat deze evolutie haar enkel fataal kan worden. De kleinburgerij wil antikapitalist zijn en tegelijkertijd kapitalist. Ze wil de ‘slechte’ tendensen van het kapitalisme vernietigen, te zeggen, de tendensen die haar ten gronde richten, en ondertussen die ‘goede’ eigenschappen van het kapitalisme behouden, de kenmerken die het de kleine burgerij mogelijk maken om te leven en zich te verrijken. Maar daar er geen kapitalisme bestaat met ‘goede’ eigenschappen zonder ‘slechte’ eigenschappen, ziet de kleinburgerij zich verplicht om zulk een kapitalisme te verzinnen, helemaal van a tot z. Het is geen toeval dat de kleinburgerij het ‘hyperkapitalisme’ heeft uitgevonden; de ‘slechte’ afwijking van het kapitalisme, zijn slechte geest. Het is geen toeval dat de theoretici van de kleine burgerij sinds meer dan een eeuw, namelijk vanaf Proudhon, hun best doen om strijd te leveren tegen het slechte ‘speculatieve kapitaal’ en het ‘nuttige productieve kapitaal’ verdedigen. De poging van de nazi-theoretici om een onderscheid te maken tussen het ‘nationale productieve kapitaal’ en het ‘parasitaire joodse kapitaal’ is waarschijnlijk slechts de laatste poging van dit soort. Het ‘joodse kapitaal’ is het beste geplaatst om te dienen als vertegenwoordiger van de mythe van het ‘slechte kapitalisme’. De denkbeeldige ‘joodse rijkdommen’ zijn inderdaad diep verankerd in het bewustzijn van de volkse massa’s. Het volstaat met een doelbewust georkestreerde propaganda het beeld van de joodse ‘woekeraar’ nieuw leven in te blazen en ‘aan te passen aan de tijd’. Er wordt ingespeeld op het beeld van een woekeraar waartegen lange tijd boeren, kleinburgers en heren ten strijde zijn getrokken. De kleinburgerij en een deel van de arbeidersklasse dat nog in de greep van de kleinburgerij is gebleven, laten zich gemakkelijk beïnvloeden door dat soort propaganda en lopen in de val van de mythe van het joodse kapitaal. Historisch gezien kunnen we stellen dat het succes van het racisme beduidt dat het kapitalisme erin geslaagd is om de antikapitalistische gevoelens van de volkse massa’s te kanaliseren naar een eerder bestaande vorm van kapitalisme waarvan enkel nog het spoor terug te vinden is. Maar dit spoor is nog groot en zichtbaar genoeg opdat het erop zou lijken dat de mythe werkelijkheid is.

Het racisme bestaat uit een bont mengsel van uiteenlopende elementen. Van het grootkapitaal weerspiegelt het de expansiedrift. Van de kleine burgerij vertolkt het de haat voor alle ‘vreemde elementen’ op de binnenlandse markt alsook de antikapitalistische gevoelens van diezelfde kleinburgerij.

Het is als kapitalist dat de kleinburgerij strijd levert tegen de joodse concurrent en als antikapitalist trekt hij ten strijde tegen het ‘joodse kapitaal’. Het racisme kaapt de antikapitalistische strijd van de volkse massa’s en voert die terug naar een vroegere vorm van kapitalisme, een vorm die nu nog enkel bestaat als een spoor in het zand.

Waar we door de wetenschappelijke analyse de verschillende onderdelen kunnen ontrafelen, is de racistische ideologie zelf verplicht om als een ‘homogene’ doctrine voor de dag te komen. Het racisme dient precies om alle klassen samen te brengen, in dezelfde smeltkroes van één ‘raciale gemeenschap’ die zich afzet tegenover alle andere rassen. De racistische mythe doet haar best om te lijken als één geheel dat slechts vage banden heeft met de bronnen van oorsprong, bronnen die heel uiteenlopend kunnen zijn. Het racisme streeft ernaar om de verschillende elementen waaruit het bestaat volmaakt aaneen te smeden.

Zo bijvoorbeeld moet het ‘buitenlandse’ racisme, het ideologische verlengstuk van het imperialisme, ‘op zich’ niet noodzakelijk een antisemitische gedaante aannemen. Maar door de noodzaak tot syncretisme, waarbij tegenstrijdige elementen niet worden opgeheven en waarbij er evenmin wordt gekomen tot een synthese, is dit de gedaante die het meestal aanneemt. Het antikapitalisme van de volkse massa’s, eerst gericht tegen het jodendom, wordt vervolgens gestuurd in de richting van de ‘buitenlandse vijand’ die met het jodendom wordt vereenzelvigd. Het ‘Germaanse ras’ heeft tot plicht de ‘jood’ te bestrijden, zijn voornaamste vijand onder welke vermomming die ook schuil gaat: die van het binnenlandse liberalisme en het bolsjewisme in eigen land, die van de Angelsaksische plutocratie en het buitenlandse bolsjewisme.

Hitler zegt in Mein Kampf dat hoe dan ook de onderscheiden vijanden onder één noemer moeten worden ondergebracht, zoniet bestaat het gevaar dat de massa’s teveel over de verschillen gaan nadenken die er bestaan tussen de onderscheiden vijanden. Daarom is het racisme een mythe en geen doctrine. Het eist geloof maar vreest het denken als vuur. Het antisemitisme is het beste middel om de verschillende onderdelen van het racisme aaneen te smeden.

Net zoals de verschillende klassen moeten samensmelten tot één enkel ras, zo ook kan dit ras slechts één enkele vijand hebben: ‘het internationale jodendom’. De mythe van het ras kan niet zonder zijn ‘negatief’: het antiras, de jood. De raciale ‘gemeenschap’ werd gesticht op grond van haat tegen de joden, haat waarvoor de meest solide ‘raciale’ basis verdoken ligt in de geschiedenis, in het tijdperk dat de jood inderdaad iemand was die vreemd was aan de maatschappij, de vijand van alle klassen. De ironie van de Geschiedenis wil dat de meest radicale antisemitische ideologie uit de Geschiedenis triomfeert op een ogenblik dat het jodendom op weg is naar een volledige sociale en economische assimilatie. Maar zoals iedere ‘ironie van de geschiedenis’ valt het schijnbaar paradoxale heel goed te begrijpen. In de tijd toen de jood zich onmogelijk kon integreren, toen hij ‘inderdaad’ het kapitaal een gezicht gaf, kon de maatschappij niet zonder hem. Er kon geen sprake van zijn hem te verdelgen. Heden ten dage echter tracht het kapitalisme, dat aan de rand van de afgrond staat, zich te redden door de jood weer tot leven te roepen evenals de haat tegen de joden. Maar juist omdat de jood niet langer de rol speelt die hem nu wordt toebedeeld, is het mogelijk dat de antisemitische vervolgingen zulk een omvang kunnen aannemen. Het joodse kapitalisme is een mythe en daarom kan het zo gemakkelijk verslagen worden. Maar als het racisme juist zijn ‘negatief’ overwonnen heeft, vernietigt het tevens de reden van zijn eigen bestaan. Naarmate het spookbeeld van het ‘joodse kapitalisme’ verbleekt, komt er een ander monster in beeld: het kapitalisme zoals het is. De sociale tegenstellingen worden een tijd versluierd door de dronken roes van het ‘racisme’, maar ze duiken weer op en dit in al hun scherpte. Ten langen leste is de mythe niet opgewassen tegen de werkelijkheid.

Ondanks de schijn van homogeniteit laat de manier waarop het racisme evolueert duidelijk zien welke economische, politieke en sociale veranderingen het probeert te verdoezelen. Om zich te voorzien van de nodige wapenuitrusting in de strijd voor de ‘levensruimte’, de imperialistische oorlog, moet het grootkapitaal eerst zijn binnenlandse vijand verslagen: het proletariaat. Het zijn de kleine burgerij en de verpauperde elementen uit het proletariaat die de stoottroepen leveren. Enkel zij zijn sterk genoeg om de economische organisaties en politieke partijen van het proletariaat te breken. In zijn beginfase is het racisme dus een ideologie van de kleinburgerij. Het programma vertolkt de belangen en de illusies van deze klasse. Het stelt de strijd tegen het ‘hyperkapitalisme’ voorop, tegen de trusts, de beurs, de grootwarenhuizen, enz. Maar eenmaal het kapitaal er met de steun van de kleinburgerij in geslaagd is om het proletariaat te breken, dan wordt de kleinburgerij al snel een zware last om dragen. De voorbereidingen tot de oorlog hebben precies tot gevolg dat de kleine ondernemingen zonder mededogen worden geëlimineerd, dat de trusts buitengewoon snel groeien en dat de proletarisering zo sterk mogelijk wordt doorgedreven. De oorlogsvoorbereidingen vergen de steun of tenminste een neutrale houding vanwege het proletariaat dat de belangrijkste schakel uitmaakt in het productieproces. Het grootkapitaal aarzelt geen ogenblik om op de meest cynische manier haar plechtige beloften te schenden, om de kleinburgerij zo brutaal als mogelijk te verstikken. Nu begint het racisme het proletariaat te vleien, wordt het plots een radicale ‘socialistische’ beweging. Nu krijgt de identificatie judaïsme – kapitalisme een sleutelrol toebedeeld. De radicale onteigening van de joodse kapitalisten is als het ware een ‘waarborg’, een ‘onderpand’, voor de wil van het racisme om te vechten tegen het kapitalisme. Het monopoliekapitalisme heeft geen gezicht, het is anoniem, daar waar de joodse handelszaken (meestal speculatief-commercieel van aard) over het algemeen een persoonlijk karakter hebben. Dit maakt deze spirituele fraude nog eenvoudiger. De man in de straat ontdekt gemakkelijker het ‘reële’ kapitalisme. Hij ziet de handelaar, de fabrikant, de speculant eerder dan de ‘respectabele directeur van een naamloze vennootschap’ die men laat doorgaan als een ‘onontbeerlijke schakel in de productie’. Aldus stelt de racistische ideologie volgende begrippen op één lijn: judaïsme = kapitalisme; racisme = socialisme; de geplande oorlogseconomie = socialistisch geplande economie.

Het valt niet te ontkennen dat aanzienlijke groepen arbeiders die niet langer georganiseerd zijn, zich verblind door Hitlers politieke successen in het buitenland hebben laten bedriegen door de racistische mythe. Ze werden daarin voorafgegaan door de kleinburgerij. Het ziet er naar uit dat de burgerij tijdelijk haar doel heeft bereikt. De furie van de jodenvervolgingen woedt over heel Europa en dit moet het bewijs leveren van de ‘definitieve’ overwinning van het racisme, van de onomkeerbare nederlaag van het internationale jodendom.