Text Size

"De vloek van Osama”. Tien jaar na 11 september

VRT-journalist Rudi Vranckx brengt in het boek “De vloek van Osama” verslag van hoe de wereld is veranderd sinds de aanslagen van 11 september 2001. Hij doet dit aan de hand van gesprekken met zowel prominenten als gewone mensen. De journalist aarzelt niet om een eigen standpunt in te nemen: de oorlogen zijn uitzichtloos en vormen geen stap vooruit, als er een lichtpunt is komt dit van de bewegingen van de vele duizenden gewone mensen zoals in Egypte. In mei 2011 kwam Bin Laden om het leven, maar “politiek is Osama Bin Laden al eens gestorven op het Tahrirplein”.

Recensie door Geert Cool

Dit boek is geen vluchtig geschreven document, maar het resultaat van tien jaar journalistieke betrokkenheid. Rudi Vranckx trok onder meer naar Afghanistan, Pakistan, Irak, Groot-Brittannië en de VS om er te spreken met zowel prominente figuren als gewone mensen. Tien jaar geleden vormden de aanslagen op de WTC-Torens in de VS een keerpunt in de geschiedenis. Het leidde tot uitzichtloze oorlogen in Afghanistan en nadien Irak. Intussen zonk Pakistan dieper weg in de chaos. De reactionaire fundamentalisten van Taliban en Al Qaeda vonden zelfs aanhang in het Westen.

Toch is Vranckx hoopvol. “De moed van de mensen in de Arabische wereld die na tientallen jaren eindelijk opstaan tegen de beulen die hen kwellen en vernederen, roept bij mij grenzeloze bewondering op. Het lijkt wel dat, wanneer een bepaalde barrière van angst en onderdrukking eenmaal doorbroken is, alles kan.” Deze beweging heeft ook een impact in landen als Irak waar Vranckx in een theehuis sprak met jongeren die actief voor verandering opkomen en zich daarin gesteund weten door bredere lagen van de bevolking. Terecht meent Vranckx dat ook 11 februari 2011, de dag dat Moebarak viel, de geschiedenis zal ingaan als een keerpunt.

Tien jaar na het begin van de oorlog in Afghanistan is de situatie in dat land nog steeds uitzichtloos. Intussen kent Vranckx zijn weg in het land. Vooral zijn gesprekken met gewone Afghanen zijn beklijvend. Dat verhaal kwam voorheen amper aan bod. Vranckx moet erkennen dat hij zich aanvankelijk liet meeslepen in de oorlogsroes en nu tien jaar later op zoek moet naar een antwoord op de vraag waar het fout is gelopen.

Hij krijgt daar deels een antwoord op in gesprekken met gewone Afghanen. Zo trokken drie mannen urenlang door de bergen om met Vranckx te spreken. Het ging om drie overlevenden van een aanval op een bruiloftsfeest in 2008. “De oude mannen praten met horten en stoten. ‘Het zijn onze vijanden, de Amerikanen. Wie vrouwen en kinderen bombardeert, dat zijn onze vijanden. Hoe kunnen ze nog langer in dit land blijven? Ze hebben verloren.’ Ik vraag me af hoeveel nieuwe vijanden het Westen maakt bij elke nieuwe ‘misser’. (…) Haat en zijn verwoestende kracht heb ik al vaker meegemaakt, maar nog nooit eerder heb ik een Afghaanse man zien huilen.”

Vranckx beschouwt het ‘Westen’ blijkbaar als een eengemaakt oorlogsgezind blok waarbij geen onderscheid wordt gemaakt tussen diegenen die voordeel halen uit oorlog en diegenen die er vooral slachtoffer van zijn. Door gewone Afghanen aan het woord te laten, doorprikt Vranckx wel het beeld van het Oosten als een eengemaakt Talibangezind blok. Een dergelijk onderscheid is van fundamenteel belang om te verklaren hoe verandering mogelijk is: de tienduizenden die in Tunesië en Egypte op straat kwamen hebben fundamenteel andere belangen dan de dictators die er aan de macht waren. In het Westen is dat niet anders. Dat ervaart Vranckx overigens zelfs als hij naar de VS trekt. Daar wordt hij zelf tegengewerkt door de autoriteiten en spreekt hij met zowel haatverspreidende figuren als activisten die zich tegen de oorlog keren.

In het hoofdstuk over Irak brengt Vranckx tal van getuigenissen van oorlogsmisdaden. Zo zijn er in Fallujah vier keer meer kankers bij volwassenen en twaalf keer meer bij kinderen. Het sterftecijfer bij kinderen ligt er viermaal hoger dan in buurland Jordanië. Als Vranckx het ziekenhuis van Fallujah wil bezoeken, blijkt dit verboden terrein te zijn. In Irak werd de oorlog ook erg persoonlijk, zijn tolk en goede vriend kwam in 2006 om het leven bij een aanslag.

Doorheen het boek brengt Vranckx verslag uit van hoe journalisten te werk gaan. Dat blijkt niet altijd zonder gevaren te zijn. Een journalist die enkele dagen na Vranckx vanuit Jalalabad naar Kaboel trok, werd omgebracht. De tolk van Vranckx in Bagdad werd vermoord, een andere medewerker moest het land ontvluchten. Journalisten die bijna als soldaten mee oprukken met het leger om het standpunt van dat leger de wereld in te sturen bij wijze van propaganda, kunnen niet op het begrip van Vranckx rekenen. “Journalistieke hersendood” is dit met journalisten die “verslag over de oorlog uitbrengen alsof het een sportgebeurtenis is waar zij de exclusieve rechten van gekocht hebben.”

“De vloek van Osama” leidde tot oorlog in Afghanistan en Irak, maar ook tot geweld en terreur in de rest van de wereld. Onder moslims in Groot-Brittannië is er een laag van jongeren die sympathie heeft voor Bin Laden. Vranckx spreekt zowel met moslimfundamentalisten als met extreemrechts, hij ontmoet toplui van de English Defence League. De journalist stelt vast dat beiden heel wat met elkaar gemeen hebben. In de VS spreekt hij met Koranverbrander Terry Jones, een gesprek dat pas kon plaatsvinden na heel wat problemen door bemoeienissen van de politie. Dit soort figuren moet niet onderdoen voor de mullahs die Bin Laden steunden. Bij het afscheid met Jones moest Vranckx aan een uitspraak van Heinrich Heine denken: “Daar waar men boeken verbrandt, verbrandt men uiteindelijk ook mensen”. Hij voegt er aan toe: “Hij schreef dit over een Koranverbranding in Granada, na de overwinning van Andalusië op de islam in de vijftiende eeuw. En toen was er nog geen sprake van de nazi’s.” Vranckx moet toegeven dat figuren als Terry Jones uit hun proportie worden geblazen door de media-aandacht die ze krijgen. Maar intussen doet hij er zelf aan mee. Het doet wat denken aan 'sportjournalisten' die enkel oog hebben voor de hooligans.

Een aantal van de Britse extremisten trekt naar madrassa’s in Pakistan, moslimscholen waar fundamentalisten de plak zwaaien. Het Pakistaanse regime heeft de opkomst van dergelijke scholen steeds gesteund. Vranckx stelt: “Oud-dictator Zia Ul-Haq wou bewust de samenleving islamiseren als cement voor de natie. Maar ook de politieke elite en de landeigenaars dragen een grote schuld. Ze hebben nooit omgekeken naar het volk. Hun eigen kinderen gaan naar elitescholen in Groot-Brittannië of de VS. Het zijn de zondagskinderen van Cambridge en Oxford, de politici en bedrijfsleiders van morgen die leven in afgeschermde villawijken.” De steun aan moslimscholen en fundamentalisten werd door de rechtse dictator Zia Ul-Haq ook gebruikt om de kracht van de arbeidersbeweging en de linkerzijde te breken. Het heeft de situatie erg complex gemaakt: het leger, de echte machthebber in Pakistan, zit gewrongen tussen steun aan (en van) de VS en de fundamentalisten.

Tien jaar na de aanslagen in de VS komt er een einde aan de ‘vloek van Osama’ (correcter zou zijn: ‘de vloek van Osama en George W.’). Er staat een nieuw protest op in de vorm van revolutionaire bewegingen in Tunesië en Egypte. Dat gaat niet enkel om “jongeren die de stap naar de moderne wereld willen zetten”, zoals Vranckx het omschrijft. Het gaat om bewegingen gesteund door brede lagen van de bevolking die na jarenlang neoliberaal beleid het recht op een toekomst opeisen.