Text Size

Recensie: ‘The Factory’, de revolutie door Arabische ogen

“Revoluties komen niet uit het niets”, stelt de commentator bij de beelden van de revolutie in Egypte in 2011. In deze documentaire wordt het verhaal gebracht van de strijd van de 27.000 arbeiders van het textielbedrijf Mahalla. Er zijn interviews met toenmalige en huidige activisten waaruit de achtergrond van die inspirerende strijd blijkt.

David Johnson

De arbeiders spreken vol trots over hun werkplaats. Met tien katoenfabrieken, een energiestation en 300.000 machines produceren ze jaarlijks vijf miljoen kledingstukken. De documentaire toont ook een kant van Egyptische vrouwen die doorgaans wordt genegeerd in de media.

De arbeiders zijn activisten met heel wat zelfvertrouwen. Ze beschrijven hun werk en de solidariteit op de werkvloer. “We zijn acht uur per dag samen, dat is meer tijd dan we thuis doorbrengen. We staan aan dezelfde kant, met christenen en moslims. Op het werk zijn we als een familie.”

Mahalla werd begin jaren 1930 opgericht, in 1938 was er al een eerste staking. De arbeiders dwongen toen een verandering van het ploegensysteem af. In 1947 was er een staking om ontslagen arbeiders terug aan te nemen. Er werden tanks op het bedrijf afgestuurd, drie arbeiders lieten het leven.

Toen de ‘vrije officiers’ onder leiding van kolonel Nasser in 1952 de macht grepen, was er een groot enthousiasme op het bedrijf. De arbeiders waren onder de indruk van de toespraken van Nasser. Maar toen ze een maand later in staking gingen, werd die actie brutaal onderdrukt. Er werden later toegevingen gedaan en de documentaire toont hoe Nasser hervormingen combineerde met repressie.

Veel arbeiders dachten in die periode, in de jaren 1950 en 1960, dat ze onder een socialistisch regime leefden. Mahalla was (en is nog steeds) een staatsbedrijf. “Nasser volgde het socialisme”, stelt een gepensioneerde arbeider. “Ik was een socialistisch vakbondslid. We keken op naar de moed van Nasser toen hij ons bevrijdde van de monarchie.”

De documentaire legt dit niet verder uit. Het regime van Nasser omschrijven als socialistisch is echter niet correct. Socialisme kan niet zonder echte democratische arbeiderscontrole op ieder niveau.

Na de dood van Nasser zorgde Sadat voor een koerswijziging waarbij de private sector werd gestimuleerd. Toen soldaten na de oorlog van 1973 terugkeerden naar hun jobs in Mahalla, groeide het ongenoegen. Er was in 1975 een staking die door een van de leiders wordt omschreven als een strijd van “arme arbeiders tegen het kapitalisme”.

Hosni Mubarak volgde Sadat in 1981 op en versnelde het proces van privatiseringen. In de documentaire hebben arbeiders het over de stakingen van 1986 en 1988. Bij de eerste staking moest de directie toegeven en kregen de arbeiders een betaald weekend. Tijdens de tweede staking waren er 20.000 betogers die riepen: ‘Weg met Mubarak’, meteen de eerste keer dat deze slogan op straat werd geroepen. Er werd geprotesteerd tegen de afschaffing van een studiebeurs. De stakingsleiders werden vervolgd, ze vlogen jarenlang de gevangenis in om vervolgens naar afgelegen gebieden te worden overgebracht.

Na deze nederlaag was het jarenlang rustig, tot er in 2006 een nieuwe staking was. Omdat een loonbonus al twee maanden niet werd betaald, trokken de vrouwen naar buiten. “Waar zijn de mannen? Hier komen de vrouwen”, riepen ze terwijl ze op de fabrieksterreinen betoogden. De mannen volgden snel.

Na drie dagen van staking beloofde de directie om de bonus te betalen. Toen die belofte niet werd gehouden, volgde een nieuwe zesdaagse staking met een bedrijfsbezetting. De bonus werd wel uitbetaald. Tal van andere arbeiders volgden het voorbeeld van Mahalla en gingen in actie.

De val van Mubarak

De documentaire vermeldt dat de officiële vakbondsleiders aan de kant werden geschoven, maar legt niet verder uit hoe deze zogenaamde vakbondsleiders een belangrijk wapen van de directie tegen de staking waren. Wel wordt uitgelegd hoe een nieuwe onafhankelijke vakbond werd opgezet met verkozen leiders in plaats van aangeduide figuren.

De val van het regime van Mubarak werd ingezet door de gebeurtenissen van 6 april 2008. De arbeiders van Mahalla riepen op tot een algemene staking, maar deze staking kwam op de werkvloer niet volledig van de grond wegens enorme repressie. In de stad daarentegen waren er grote betogingen met harde confrontaties. De politie zette traangas in en schoot met scherp. Er vielen drie doden. De premier kwam enkele dagen later naar de fabriek om persoonlijk te beloven dat de bonus van de arbeiders zou worden betaald. Dit was te weinig en het kwam te laat. In januari 2011 kwam het ongenoegen opnieuw tot uitbarsting en de opstand zou het einde van het regime betekenen.

De conclusies van de documentaire zijn wat ontgoochelend. De revolutionaire activist Hossam El-Hamalawy stelt: “Zelfs indien de arbeiders nu geen politieke slogans naar voor brengen, moeten we hen helpen om de economische strijd aan te gaan en te winnen. Daar zullen ze het vertrouwen vinden om morgen ook politieke slogans naar voor te brengen.” Natuurlijk willen socialisten steun geven aan stakingen en bezettingen om die tot overwinningen te brengen. Maar we moeten ook het verband leggen tussen die acties en de strijd voor democratische rechten.

El-Hamalawy vervolgt: “De arbeidersbeweging is de enige kracht die een einde kan maken aan het regime. Deze opstanden en stakingen zullen doorgaan tot we een regering en een nieuw regime hebben dat antwoorden biedt op de structurele problemen van het land. Zo lang de generaals het land regeren, is er geen politieke vooruitgang en zullen we de eisen van Tahrir en andere pleinen niet afdwingen.”

Denken de Revolutionaire Socialisten, waar El-Hamalawy lid van is, echt dat het einde van het generaalsregime zou volstaan om te komen tot een politiek proces waarbij de eisen van de arbeiders worden ingewilligd? Zo lang het kapitalisme bestaat, zullen de bazen proberen om zoveel mogelijk winst uit de arbeid van de meerderheid van de bevolking te puren.

De strijd om de generaals weg te krijgen moet voortgaan. Maar we mogen geen illusies hebben dat een burgerlijke kapitalistische regering aan de bekommernissen van de arbeiders zal tegemoet komen. Er is nood aan een regering van arbeiders en armen.