Text Size

“Kapitalisme zonder remmen”: vlotte inleiding tot elementen van de kapitalistische crisis

De historicus en hoogleraar Maarten van Rossem is vrij bekend in de Nederlandse media. Met zijn boekje “Kapitalisme zonder remmen” probeert hij de “opkomst en ondergang van het marktfundamentalisme” te beschrijven. Het is nuttig om het beeld van een historicus over de economische crisis te lezen. Dat vermijdt een al te gespecialiseerde benadering en het biedt het potentieel van een vlotte en bredere historische en ideologische kijk op de crisis.

Geert Cool. LSP (CWI België)

Het gaat effectief om een vlot geschreven en toegankelijk boekje van 120 pagina’s. Ook wordt een interessant beeld gegeven van de opmars van het neoliberalisme en het financiële kapitaal. Waar het, zoals vaker, aan ontbreekt, is zowel een grondige analyse van waarom het fout loopt alsook van een alternatief op het kapitalisme in crisis. Op dat laatste vlak komt Van Rossem niet veel verder dan de eis van een sterkere regulering van de financiële sector. Het is geen toeval dat de auteur in 2010 kandideerde op een lijst van de sociaal-democratische PvdA in Utrecht.

Uitgangspunt van het boek is het faillissement van Lehman Brothers in 2008 en de bijhorende kredietcrisis die ook de reële economie besmette. Voor Van Rossem was het barsten van de zeepbel in grote mate het resultaat van de systematische deregulering van de Amerikaanse financiële sector sinds de vroege jaren '80, op zich het resultaat van de “wereldwijde honger naar solide investeringsinstrumenten met een behoorlijk rendement.” Deze systematische deregulering was volgens Van Rossem de uitdrukking van een onderliggende ideologie, “het marktfundamentalisme”, die onder meer werd gedragen door figuren als Alan Greenspan (voorzitter van de Amerikaanse Fed van 1987 tot 2006). De opmars van het neoliberalisme kwam na het falen van de “Keynesiaanse Consensus”in de jaren 1970. De kredietcrisis heeft op zijn beurt een aantal marktfundamentalisten aan het twijfelen gebracht.

Waar Van Rossem een beeld probeert te brengen van de ontwikkeling van het marktfundamentalisme, weet hij niet altijd waar de klepel hangt. Het historische overzicht is nuttig om alles in perspectief te plaatsen, maar een uitleg waarom het kapitalisme in crisis raakt, krijgen we niet. Als klassieke idealistische historicus schat Van Rossem het belang van ideeën en personen soms buitenmatig hoog in. Een voorbeeld: “Er is weleens gespeculeerd dat de hele kredietcrisis zich niet zou hebben voorgedaan als Volcker even lang was blijven zitten als voorzitter van de Fed als zijn opvolger.” Paul Volcker was volgens Van Rossem geen aanhanger van een verdere deregulering van de financiële wereld. Marxisten zijn aanhangers van het historisch materialisme. Ze ontkennen de rol van personaliteiten in de geschiedenis niet, maar plaatsen dit in het specifieke historische kader waarin ze hun specifieke rol kunnen spelen.

De na-oorlogse periode werd volgens Van Rossem gekenmerkt door het “Grote Compromis tussen overheid, kapitaal en arbeid”. Dit ging gepaard met meerdere of mindere mate van Keynesiaanse maatregelen om de economie te stimuleren door middel van sociale zekerheid en andere overheidstussenkomsten. Volgens de auteur was de na-oorlogse groei het resultaat van dit grote compromis: “de wereldhandel verdubbelde na 1950 elke tien jaar en de productie van de rijke landen verdrievoudigde tussen 1948 en 1973.” Natuurlijk heeft die groei ook veel te maken met de vernietiging van de productiemiddelen in de Tweede Wereldoorlog en de versnelde modernisering als gevolg van die vernietigingen. De toegevingen aan de arbeidersklasse in de vorm van sociale zekerheid waren grotendeels afgedwongen door de sterke organisatie van de arbeidersbeweging en de dreiging die daarvan – mee tegen de achtergrond van het bestaan van de Sovjetunie – uitging.

De bloei van de na-oorlogse periode kwam onvermijdelijk ten einde. Van Rossem legt ons niet uit waarom het kapitalisme in crisis kwam, hij beperkt zich tot het beschrijven van de crisis in de jaren 1970 met een sterke inflatie (gemiddeld 10% in het hele decennium) en economische stagnatie. Een politiek van overheidsinvesteringen en van een verzorgingsstaat botsten met de mogelijkheden van een kapitalisme in crisis. Daar ligt de reden voor de overgang naar een neoliberale retoriek en bijhorend beleid van besparingen op de lonen, uitkeringen,… alsook van de opkomst van het financiële kapitaal dat de winsten op peil moest houden op een ogenblik dat de traditionele industrie met een overproductiecrisis werd geconfronteerd.

Terecht stelt Van Rossem vast dat het Amerikaanse neoliberalisme niet van start ging met president Reagan maar met diens Democratische voorganger Jimmy Carter. Die liberaliseerde de transportsector, waaronder het luchtverkeer (wat van belang bleek bij de belangrijke staking van de luchtverkeerleiders in 1981 onder Reagan), en begon met de deregulering van de financiële sector. Het beleid werd volledig gericht op de bestrijding van de inflatie, waarbij dit gepaard ging met aanvallen op de lonen en een daling van de levensstandaard van de meerderheid van de bevolking terwijl er voor de rijksten belastingsverlagingen waren vanuit het foutieve idee dat dit tot meer investeringen zou leiden. De realiteit was anders: de 1% rijksten in de VS waren in 1974 goed voor een inkomen van 8% van het bbp, in 2007 was dat 18%. Tussen 2001 en 2006 ging van de totale groei van het gezinsinkomen 56% naar de rijkste 1%!

In zijn boek brengt Van Rossem een kort beeld van de economische grondleggers van het neoliberalisme: Friedrich Hayek en Milton Friedman. Zij kregen respectievelijk de Nobelprijs voor economie in 1974 en 1976, “een duidelijk signaal dat de ideologische kentering was begonnen”. De economische crisis vereiste vanuit kapitalistisch oogpunt een koerswending en daarbij werd inderdaad gezocht naar theoretici van het nieuwe neoliberale model. Dit model ging gepaard met een opmars van de financiële sector die ook nieuwe instrumenten, “diverse exotische nieuwe beleggingsvormen”. Het neoliberale beleid kende in Thatcher en Reagan haar boegbeelden, maar pakweg Blair of Clinton waren even trouwe aanhangers van het ‘marktfundamentalisme’. Van Rossem stelt vast: “Tot veel meer dan marginale correcties waren zij niet in staat.”

De opmars van de financiële sector die niets in de weg werd gelegd door de neoliberalen, leidde tot de creatie van enorme zeepbellen die ooit tot barsten moesten komen. Zo veranderde de hypotheekmarkt in de VS “in een wildwestscène” met dubieuze hypotheken en leningen. “Het was een roekeloos en gewetenloos circus geworden”, aldus Van Rossem. De zeepbellen moesten wel barsten en dat was de aanzet tot de huidige crisis.

De auteur stelt vast dat het neoliberalisme niet meer was dan “de begeleidende ideologie van een boom-fase”. Maar zijn alternatief er op is beperkt: het West-Europese model van een sterke sociale zekerheid ofte het Rijnlandmodel. Van Rossem pleit voor elementen van sociale zekerheid in de VS (onder meer op vlak van gezondheidszorg) naast maatregelen als een belastingsverhoging voor de allerrijksten. Hiermee sluit hij aan bij wat gerenommeerde economen vandaag stellen, maar er moet meteen worden vastgesteld dat dit politiek wellicht niet haalbaar is en bovendien stelt de vraag zich of dergelijke maatregelen wel zouden volstaan om de systeemcrisis te stoppen. In tegenstelling tot wat Van Rossem denkt, is deze crisis er immers geen van het ‘marktfundamentalisme’ maar van het kapitalistische systeem op zich. Dat betekent dat oplapmiddeltjes niet zullen volstaan. Ofwel slagen de kapitalisten er in om hun systeem overeind te houden door de arbeiders en armen ervoor te laten opdraaien, ofwel zullen de arbeiders en armen een einde maken aan dit systeem. “Socialisme of barbarij”, dat is de keuze waar we voor staan.