Text Size

Een kritische blik op het nieuwe boek van Eric Hobsbawm, “How to change the World”

De relevantie van de ideeën van Marx, Engels, Lenin en Trotski werd bevestigd door de recente gebeurtenissen. Financiële crisis, economische recessie, harde besparingen en een revolutionaire golf zorgen voor een hernieuwde interesse in socialisme en marxisme. Linkse intellectuelen zeilen graag mee op deze wind. Maar in hun boeken schieten ze vaak tekort op de cruciale vraag die ook de titel van dit boek van Hobsbawm is: hoe komen we tot verandering?

Artikel door Peter Taaffe, Algemeen-secretarischvan de Socialist Party in England & Wales en lid van het Internationaal Secretariaat van het CWI

Eric Hobsbawm is blij met de hernieuwde interesse in zijn ideeën en daarom doet hij een poging om te beschrijven hoe de wereld kan worden veranderd. Het is spijtig dat dit boek voor veel lezers de eerste kennismaking met de opvattingen van Marx zal zijn. De ondertitel van het boek is “Verhalen over Marx en het marxisme” en het zijn inderdaad verhalen. De inhoud van het boek houdt weinig verband met waar Marx echt voor stond en hoe het marxisme de wereld vandaag kan veranderen.

Hobsbawm heeft er een lange carrière als marxistische academicus en theoreticus opzitten. Hij lijkt terug te komen op zijn vroegere positie als slaafse volgeling van het stalinisme, maar hij heeft nog niet volledig gebroken met de erfenis ervan. Hobsbawm bleef lid van de Britse Communistische Partij, ook toen de stalinistische misdaden bij de onderdrukking van de Hongaarse politieke revolutie van 1956 of het bloedbad tegen de Praagse lente van 1968 bekend werden.

Zelfs in dit boek blijft hij de vroegere stalinistische regimes van Rusland en Oost-Europa kritiekloos “socialistisch” noemen. Die regimes hadden meer gemeen met het kapitalisme dan met wat Marx, Engels, Lenin en Trotski onder socialisme verstonden. Deze regimes hadden belangrijke elementen van een geplande economie op basis van de nationalisatie van de productiekrachten. Ze waren hierdoor relatief progressief. Maar een totalitair één-partij regime als ‘socialistisch’ blijven omschrijven, zal enkel voer zijn voor de burgerlijke ideologen die het socialisme willen discrediteren bij een nieuwe generatie die op zoek gaat naar alternatieven.

Het is onwaarschijnlijk dat Hobsbawm de rol van Leon Trotski en de trotskisten tot een detail herleidt. Zoals Terry Eagleton stelde, beperkt Hobsbawm zijn opmerkingen over het trotskisme, “een van de meest levendige stromingen van het moderne marxisme” tot de marge (London Review of Books, March 2011). Het is echter onmogelijk om het fenomeen van het stalinisme te begrijpen zonder het werk van Trotski en de Russische en Internationale Linkse Oppositie hierover te lezen en te begrijpen. Het is bovendien niet mogelijk om de strijd voor socialisme vandaag te vatten zonder duidelijkheid te scheppen in de verwerping van het stalinisme of totalitaire en autoritaire regimes die vandaag nog steeds worden gebruikt om de arbeidersklasse af te schrikken en van het democratische socialisme weg te houden.

Dit wordt ook bevestigd door de burgerlijke recensenten die over het boek van Hobsbawm schrijven. Ze prijzen allemaal de toewijding van de auteur, maar ze aarzelen ook niet om steeds opnieuw naar het stalinistische verleden van Hobsbawm te verwijzen. In de Sunday Times stelde Dominic Sandbrook dat Hobsbawm “nooit op overtuigende wijze heeft geantwoord op de beschuldiging dat hij de Sovjetunie [lees: het stalinisme] heeft goedgepraat.” Geoffrey Goodman, een voormalige journalist van de Daily Mirror, stelde ten onrechte dat Hobsbawm geen illusies en ook geen excuses voor het falen van de Sovjetunie zoekt. Zelfs indien dit het geval was, blijft het een feit dat Hobsbawm geen enkele verklaring biedt van de opkomst van het stalinisme dat alle idealen van de Oktoberrevolutie heeft verstikt: arbeidersdemocratie en het internationale doel van wereldsocialisme.

Er moet niet ver worden gezocht naar verklaringen waarom Hobsbawm geen antwoorden op deze kwestie brengt. Een grondig onderzoek vanuit een marxistisch oogpunt zou hem naar de analyses en conclusies van Trotski brengen: er was nood aan een politieke revolutie tegen het totalitaire stalinistische regime om de geplande economie te redden en echte arbeidersdemocratie te vestigen. Het voortzetten van het stalinisme, waartegen Hobsbawm nooit iets ondernam, heeft geleid tot de ineenstorting van de bureaucratische regimes en het opheffen van de geplande economieën. Het betekende een enorme ideologische overwinning voor het kapitalisme.

Een hernieuwde interesse

In het eerste hoofdstuk gaat Hobsbawm in op de hernieuwde interesse in het ‘marxisme’. Zelfs hedgefund-miljardair George Soros sprak in lovende bewoordingen over Marx. Dat is niet verrassend aangezien het verbonden is met de huidige economische crisis, een van de grootste crises van het systeem dat Soros verdedigt: het kapitalisme. De kapitalisten hebben vandaag interesse in Marx vanwege zijn diagnose van de problemen van hun systeem, en niet zozeer voor de remedie die hij aanbeveelt, het socialisme.

Er zijn gelijkaardige historische ogenblikken geweest waarbij burgerlijke figuren probeerden om Marx voor hun kar te spannen. In het Rusland van voor de revolutie probeerden burgerlijke ideologen om Marx te gebruiken om de “onvermijdelijkheid” van een fase van kapitalisme te bepleiten in de strijd tegen het tsarisme. Ze kregen daarbij de steun van de mensjewieken – in de vroege 20ste eeuw de minderheid van de Russische arbeidersbeweging – die eveneens stelden dat socialisme een ver toekomstbeeld was. Vladimir Lenin en vooral Trotski met zijn theorie van de permanente revolutie, gingen daar scherp tegen in en stelden dat de burgerlijk-democratische revolutie enkel maar kon worden doorgevoerd door een alliantie van de arbeidersklasse en de boeren. Eens aan de macht zou deze alliantie meteen moeten overgaan naar een socialistisch antwoord met de nationalisatie van de industrie, de grond,… Dat zou op zijn beurt mee aan de basis staan van een internationale socialistische revolutie. Dit is wat effectief gebeurde op het einde van de Eerste Wereldoorlog met de arbeidersrevolutie van oktober 1917 in Rusland.

Zonder het verraad van de sociaal-democratische leiders zou dit effectief hebben geleid tot een Europese socialistische democratische revolutie. Dat zou de objectieve situatie in Rusland hebben veranderd en het zou een einde hebben gemaakt aan het achtergebleven karakter op basis waarvan het stalinisme kon ontwikkelen. Dit alles ontbreekt in de analyse van Hobsbawm.

In een poging om de hernieuwde interesse in het marxisme te verklaren, wijst Hobsbawm op twee factoren: “Het eerste is het einde van het officiële marxisme in de Sovjetunie waardoor Marx niet langer wordt geïdentificeerd met de Leninistische theorie en de praktijk van de Leninistische regimes.” Of hoe je in één enkele zin de volledige bijdrage van Lenin overboord kunt gooien. Lenin lag aan de basis van de Bolsjewistische partij, de grootste democratische massale arbeiderspartij uit de geschiedenis, en leidde mee de ‘subjectieve factor’ waardoor de grootste historische gebeurtenis van de Russische Revolutie mogelijk werd. Lenin en Trotski stonden voor socialisme en arbeidersdemocratie.

Er wordt hooghartig afgegeven op het “officiële marxisme van de Sovjetunie”, maar Hobsbawm heeft zich decennialang hiermee geïdentificeerd. Opnieuw volgt er geen historische analyse van dit “officiële marxisme”, dat eigenlijk een stalinistische karikatuur van democratisch socialisme en de opvattingen van het marxisme was. Zolang Hobsbawm vast zit in zijn ideologische korset, zal hij dergelijke politieke fouten blijven maken.

Neem nu zijn opmerkingen over de economische basis van de Sovjetunie: “De bewering dat het socialisme superieur was aan het kapitalisme om de snelste ontwikkeling van de productiekrachten te garanderen, kan bezwaarlijk aan Marx worden toegeschreven.” Dit is een opvallende stelling die vooral aanduidt hoe onwetend deze academicus is over de historische schema’s die door Marx naar voor werden gebracht en later werden ontwikkeld door de Bolsjewieken van Lenin en Trotski en over de ontwikkeling van de Oktoberrevolutie en de periode daarna.

Socialisme blijft een utopische droom tenzij het een grotere arbeidsproductiviteit kan ontwikkelen en in staat is om de productiekrachten (wetenschap, de arbeidsorganisatie en technologie) op een hoger niveau te tillen. Dat is volgens Marx noodzakelijk van bij de aanvang van het socialisme. Het startpunt van het socialisme moet op een hoger niveau liggen dat de meest ontwikkelde kapitalistische economie, vandaag de VS. Marx vatte dit idee samen in een van zijn eerste werken, de Duitse Ideologie. Hij schreef dat de productieve krachten moeten ontwikkelen in een nieuwe socialistische samenleving, zoniet zouden “de noden veralgemeend worden en zou alle oude vuiligheid terug op het toneel verschijnen.” Daarmee bedoelde hij dat klassen, de staat en de bureaucratische overblijfselen van de oude samenleving, ongelijkheid en al het overige zouden blijven bestaan en zelfs zouden groeien in de ‘nieuwe samenleving’, tenzij deze samenleving in staat was om een hoger economische niveau en een grotere productiecapaciteit te ontwikkelen.

Is dat niet de reden waarom het stalinisme kon ontwikkelen in Rusland en elders? De Oktoberrevolutie vond plaats onder de vlag van het democratische socialisme, de afschaffing van ongelijkheid en voor een democratische arbeidersstaat die wordt gecontroleerd door de massa’s met arbeiderscontrole en -beheer. Deze elementen bestonden in een grote mate in de periode vlak na de Oktoberrevolutie, maar dan wel in het kader van een ‘belegerd fort’. De Bolsjewieken hadden nooit de illusie dat dit kon standhouden indien het beperkt bleef tot een economisch en cultureel achtergebleven samenleving zoals in Rusland. De revolutie moest zich uitbreiden naar het westen, in het bijzonder naar Duitsland dat wellicht over de grootste industriële economische capaciteit van de toenmalige wereld beschikte, en uiteindelijk naar de hele wereld. Omdat dit niet gebeurde, kon de oude ‘vuiligheid’ terug op het toneel verschijnen in de vorm van een groei van de bureaucratie die, aanvankelijk onbewust, door Stalin werd vertegenwoordigd. De arbeidersklasse werd aan de kant geschoven en de macht concentreerde zich steeds meer in de handen van een inhalige en onefficiënte bureaucratie. Hobsbawm gaat daar allemaal aan voorbij, waardoor hij uiteindelijk ook de progressieve elementen van de geplande economie aan de kant schuift. Die progressieve elementen toonden nochtans wat mogelijk zou zijn op basis van een echte arbeidersdemocratie.

Een eclectische wirwar

Het boek van Hobsbawm is een eclectische wirwar zonder dat enig duidelijk idee wordt uitgewerkt. Zo schrijft hij dat “de traditionele socialistische visie van socialisme in essentie neerkomt op een samenleving zonder markt, wellicht was dat ook het standpunt van Marx.” Waarom twijfelt Hobsbawm daar blijkbaar aan en schrijft hij ‘wellicht’? Het idee dat het socialisme het antwoord is op het kapitalisme is de rode draad doorheen het werk van Marx. Wat Hobsbawm met dit soort opmerkingen aantoont, is dat hij in zijn vlucht van zijn vroegere foutieve pro-stalinistische standpunten meteen ook centrale elementen uit de analyse van Marx overboord gooit, in het bijzonder die elementen over het socialistische doel.

Dit is niet de eerste keer dat Hobsbawm zich aan een dergelijke oefening waagt. Hij was destijds de hogepriester van het zogenaamde ‘nieuwe realisme’ dat voortkwam uit de Eurocommunistische stroming van de Communistische Partij rond het blad ‘Marxism Today’ in de jaren 1970 en 1980. Labour-leider Kinnock deed heel wat beroep op de ideeën van Hobsbawm om Labour verder naar rechts te duwen en in dat proces de marxisten rond Militant (de voorloper van de Socialist Party) uit de partij te sluiten. Dat vormde de basis voor de opkomst van het Blairisme waarmee de Labour partij van een burgerlijke arbeiderspartij werd omgevormd tot een puur burgerlijke formatie.

Hobsbawm en de Eurocommunisten stelden dat de neergang van de industriële arbeidersklasse – een resultaat van het zogenaamde ‘post-Fordisme’ – leidde tot een algemene verzwakking van de arbeidersbeweging, het syndicale verzet en het klassenbewustzijn. Marxisten zijn het daar niet mee eens en wezen toen al op het toenemende klassenbewustzijn onder wat voorheen “witteboord”-arbeiders werd genoemd: leraars, postpersoneel, technisch personeel,… De burgerij zag zich door de economische crises van de jaren 1970 en 1980 verplicht om deze lagen aan te vallen in een poging om de winsten veilig te stellen en de kapitalistische accumulatie te versterken. In dat proces werd de eigen sociale reserve ondermijnd. De opvattingen van het ‘nieuwe realisme’ waren zelf uitdrukkingen van het algemene ideologische offensief van het neoliberalisme waarin het individualisme centraal werd gesteld tegen het zogenaamde ‘etatisme’ (waarin de staat initiatieven neemt). Dit ideologisch offensief kwam op volle toeren na de val van de vroegere Sovjetunie en het verdwijnen van de geplande economieën.

Hobsbawm, Kinnock en Blair waren geen apostels van een nieuwe ‘realistische’ aanpassing aan veranderende omstandigheden. Ze vertegenwoordigden de liquidatie van een strijdbare opstelling en een programma van klassenverzet van de arbeidersbeweging tegen alle onderdelen van pro-kapitalistische opvattingen en methoden. In het boek brengt Hobsbawm geen kritische balans van het falen van de opvattingen van het ‘nieuwe realisme’. Hobsbawm verwijst naar de opportunistische verzoening van de Duitse sociaal-democratische Edward Bernstein met het kapitalisme in een periode van economische groei op het einde van de 19de eeuw. Maar Hobsbawm heeft met zijn medestanders net hetzelfde gedaan in de Britse arbeidersbeweging en dat op een gelijkaardig ogenblik: tijdens de korte economische groei van de jaren 1980. Ze hielden dit ook aan tijdens de langere periode van groei in de jaren 1990. Wij hebben anderzijds steeds blijven stellen dat de financialisering van het wereldkapitalisme zou leiden tot massale zeepbellen die uiteindelijk zouden barsten. Onze visie bleek correct te zijn bij het begin van de huidige economische crisis. Het kapitalisme heeft het vandaag bijzonder moeilijk om terug recht te staan.

Op zowat iedere pagina van het boek zijn er voorbeelden van hoe Marx wordt aangeprezen naast weinig verhulde kritieken op een aantal centrale conclusies van Marx. In het hoofdstuk ‘Marx Today’ stelt Hobsbawm dat het idee van Marx dat het kapitalisme zou worden vervangen “vandaag nog steeds plausibel is.” In het volgende hoofdstuk schrijft hij: “[Marx’] voorspelling dat de industrialisering zou leiden tot een bevolking die grotendeels werkt als handarbeiders, zoals toen het geval was in Engeland,… was correct als voorspelling op middellange termijn maar zoals we nu weten was dit niet het geval op lange termijn.” Dat is een foute stelling. De industriële arbeidersklasse staat misschien minder sterk in de voorheen geïndustrialiseerde landen, maar door de industrialisering van China, India, Brazilië,… blijven Marx’ opvattingen vandaag nog steeds valabel als we de hele wereld in beschouwing nemen. Op globaal vlak is de industriële arbeidersklasse de afgelopen tien tot twintig jaar wellicht aangegroeid in aantal en in gewicht binnen de samenleving.

En zelfs indien dit niet het geval zou zijn, betekent de proletarisering van voorheen ‘geprivilegieerde’ lagen van de arbeidersklasse dat ook deze lagen een belangrijk onderdeel van de arbeidersbeweging vormen en betrokken zullen zijn in de “onteigening van de onteigenaars” en het vestigen van een democratisch socialisme. Hobsbawm probeert Marx’ revolutionaire conclusies op een voetstuk te lichten en aanvaardbaar te maken, wellicht voor een publiek van academici en kleinburgers. Maar in dat proces verdwijnt zijn boodschap voor arbeiders, in het bijzonder jonge arbeiders, die op zoek zijn naar antwoorden die hen helpen in hun strijd tegen het kapitalisme.

Dit wordt erg duidelijk als Hobsbawm het over de staat heeft: “De volwassen marxistische theorie van de staat was aanzienlijk geavanceerder dan de eenvoudige vergelijking: de staat betekent de dwingende macht en staat voor klassenheerschappij.” In deze regels zit dezelfde opportunistische benadering van de Duitse sociaal-democratische reformisten en hun Britse, Franse,… tegenhangers tegenover de kapitalistische staat. Hobsbawm moet toegeven dat Marx erg duidelijk was in het feit dat de arbeidersklasse enkel de macht kan grijpen als het zich organiseert als “heersende klasse” doorheen “de dictatuur van het proletariaat.” Die term wees overigens niet op een vorm van éénpartijdictatuur zoals onder het stalinisme. Met deze term doelde Marx op wat onmiddellijk na Oktober 1917 ook effectief tot stand kwam in Rusland: een staat georganiseerd als arbeidersdemocratie. Marxisten verkiezen vandaag die laatste term. We gebruiken de term ‘dictatuur van het proletariaat’ niet langer omdat dit doet denken aan totalitaire regimes in de plaats van aan een socialistische samenleving.

Hobsbawm brengt zijn ‘marxistische’ definitie van de staat: ‘Het concept van de staat als klassenmacht werd aangepast, in het bijzonder in het kader van het Bonapartisme van Napoleon III in Frankrijk en andere regimes na 1848 die niet louter konden worden omschreven als de heerschappij van een revolutionaire burgerij.” Dit is geen correcte interpretatie van Marx, laat staan dat het aansluit bij wat Engels, Lenin en Trotski over de staat hebben geschreven. Marx omschreef het fenomeen van het Bonapartisme op een briljante wijze. Hij beschreef hoe de staat omwille van de impasse in de klassenstrijd in staat was om een relatief onafhankelijke positie in te nemen en daarbij een evenwichtsoefening tussen de verschillende klassen te doen. Maar in laatste instantie bleef deze staat een uitdrukking van de “dominante economische klasse” en in het Frankrijk na 1848 was dat de burgerij, die op dit ogenblik helemaal niet zo ‘revolutionair’ was. Hobsbawm lijkt de marxistische visie op de staat te verwateren om het idee binnen te smokkelen dat de staat enigszins kan worden ‘hervormd’. Voor hem komt het er op aan om te strijden om de macht van de heersende klasse – de kapitalisten –af te nemen en een nieuwe staat te vestigen. Daartoe is er volgens hem geen breuk nodig.

Verschuilen achter Gramsci

De benadering van Hobsbawm wordt helemaal duidelijk in het hoofdstuk over Antonio Gramsci, de leider van de jonge Italiaanse Communistische Partij (PCI) na de Eerste Wereldoorlog. Gramsci werd door Mussolini gevangen genomen en overleed in gevangenschap. Gramsci had heel wat sterke kanten. Zo prees Trotski hem aan voor zijn begrip van het karakter van het fascisme, dat na de overwinning van Mussolini 1922 overging tot het breken van de arbeidersklasse. Gramsci had snel begrepen waar het fascisme voor stond, nog voor anderen (waaronder Trotski) dit deden. Maar Hobsbawm ziet in Gramsci “de meest originele denker van het Westen sinds 1917.”

Omwille van zijn gevangenschap was Gramsci afgesloten van de gebeurtenissen in Italië en de rest van de wereld. Hierdoor had hij geen volledig beeld van de ontwikkeling van de arbeidersbeweging en ook niet van de gebeurtenissen in Rusland met de opkomst van het stalinisme. Het is geen toeval dat Hobsbawm naar Gramsci terug grijpt. Hij meent in een aantal gevangenisteksten van Gramsci een theoretische verklaring te vinden voor de aanpassing aan het kapitalisme van zowel zichzelf als de PCI. Het is niet geheel toevallig dat PCI-leider Palmiro Togliatti dezelfde vermeende opvattingen van Gramsci aangreep om zijn partij naar rechts te duwen. Het resultaat daarvan was overigens dat de ooit zo machtige PCI ten gronde werd gericht.

Hobsbawm probeert de objectieve voorwaarden van Italië aan te grijpen om het unieke karakter van de Italiaanse arbeidersbeweging en Gramsci persoonlijk uit te leggen. Dat gebeurt op een wel erg eenzijdige wijze. Hij benadrukt het karakter van Italië dat elementen van achtergebleven en semi-feodale voorwaarden combineerde met moderne elementen met industrie en fabrieken in het noorden. Maar Italië was niet het enige land, ook niet in Europa, waar de arbeidersklasse nog een minderheid vormde terwijl de plattelandsbevolking samen met de rest van de middenklasse een meerderheid vormde. In Duitsland en Frankrijk stelde zich evenzeer de taak om deze tussenlagen aan de kant van de arbeidersklasse te winnen. Hobsbawm stelt dat Gramsci een “pionier” was voor de “marxistische politieke theorie” waarbij “politiek als een autonome activiteit” wordt beschouwd. Hij haalt Gramsci aan om nadruk te leggen op de “autonome rol van de bovenbouw in het sociale proces, of gewoon het eenvoudige feit dat een politicus van arbeidersafkomst niet noodzakelijk hetzelfde is als een arbeider in de fabriek.” Gramsci probeerde ook de ideologische rol van “intellectuelen” te analyseren.

Er is natuurlijk een grond van waarheid in deze opvattingen. Politiek is geen automatische weerspiegeling van een economische situatie. Als dat het geval zou zijn, dan zou de politiek van de arbeidersklasse vandaag duidelijk revolutionair zijn tegen de achtergrond van de wereldwijde economische crisis. Het bewustzijn – een fundament voor de marxistische benadering van ‘politiek’ – wordt gevormd door gebeurtenissen, alsook door de tussenkomst van organisaties van de arbeidersklasse en het ontwikkelt op tegenstrijdige wijze. Een economische crisis leidt niet automatisch tot een massale radicalisering en een hoger bewustzijn, net zomin als een periode van economische groei het bewustzijn automatisch naar beneden zou halen. De Russische revolutie van 1905-07 werd gevolgd door een economische crisis. Dit leidde niet tot de radicalisering van de massa’s omdat het vlak na de nederlaag van de revolutie kwam. Anderzijds legde de economische groei van 1910 met de economisch sterkere positie van de arbeidersklasse die hieruit voortvloeide, de basis voor een nieuwe opgang van de klassenstrijd. Maar dat gezegd zijnde, moet ook worden opgemerkt dat politiek nooit volledig “autonoom” is. Marxisten zijn geen ruwe reductionisten. Politiek kan net als de staat zelf een tijdlang een zekere “autonomie” kennen. Maar in laatste instantie is het afhankelijk van en een weerspiegeling van de economische verhoudingen van de heersende klasse tegenover de middenklasse en de arbeidersklasse.

De ware bedoelingen van Hobsbawm bij het aanhalen van wat hij laat doorgaan als opvattingen van Gramsci worden duidelijk als hij het volgende schrijft: “Italië was een land waar er na 1917 verschillende objectieve en zelfs subjectieve voorwaarden tot sociale revolutie leken te bestaan – meer nog dan in Groot-Brittannië en Frankrijk en ik zou zelfs durven zeggen dan in Duitsland. En toch kwam het niet tot een revolutie. Integendeel, het fascisme kwam aan de macht. Het was logisch dat de Italiaanse marxisten pioniers zouden worden in het analyseren van waarom de Russische Oktoberrevolutie zich niet had verspreid naar de Westerse landen en welke alternatieve strategie en tactieken van verandering naar het socialisme in deze landen van toepassing kon zijn.”

Om Trotski te parafraseren: ieder woord is fout en sommige zijn zelfs dubbel fout. Verschillende objectieve voorwaarden waren niet de voornaamste reden waarom de revolutie geen uitbreiding kende in Europa – ook al waren er verschillende objectieve omstandigheden in alle Europese landen, zeker in vergelijking met Rusland. De mogelijkheden voor de revolutie waren in veel landen groter omwille van de sterkere positie van de arbeidersklasse en de enorme opstanden na de Eerste Wereldoorlog. Het falen van de revolutionaire golf kan niet worden toegeschreven aan het subjectieve bewustzijn van de arbeidersklasse die zich volledig wierp in de strijd tegen het kapitalisme, zeker na de Russische revolutie. Het falen moet volledig worden toegeschreven aan de perfide rol van de sociaal-democratische leiders die de revolutie hebben verraden. Hobsbawm toont zijn mensjewistische positie als hij stelt dat Groot-Brittannië, Frankrijk en ‘zelfs Duitsland’ eigenlijk niet klaar waren voor een revolutie.

De Duitse arbeidersklasse was wellicht de sterkste ter wereld. Tussen 1917 en 1923 heeft de Duitse arbeidersklasse meermaals geprobeerd om de macht te grijpen en waren er massale bewegingen tegen het kapitalisme. In 1923 was er een gunstige situatie voor de Duitse arbeiders, maar het potentieel werd niet gerealiseerd vanwege het getalm van de leiding op beslissende ogenblikken. Dat is geen vermelding waard voor Hobsbawm die eerder zoekt naar gemakkelijkere ‘objectieve’ redenen. Het is ironisch dat dit boek met deze boodschap wordt gepubliceerd op een ogenblik dat er revolutionaire bewegingen zijn in het Midden-Oosten en Noord-Afrika. De Egyptische en Tunesische massa’s hebben de raadgevingen van hun ‘Hobsbawms’ genegeerd bij de keuze van hun methoden in de strijd tegen hun dictators. Gezien de omstandigheden waarin ze deze strijd aangingen, hadden ze geen andere keuze. De zwakke burgerlijke krachten hadden in elk land in de regio immers iedere poging om tot hervormingen te komen afgeblokt.

Het pessimisme van Hobsbawm

Op basis van zijn interpretatie van Gramsci komt Hobsbawm tot de conclusie dat de enige mogelijkheid tot verandering voor de arbeidersbeweging bestaat uit een geleidelijke omvorming van de staat en de verovering van de ‘burgersamenleving’ en een soort van ‘lange mars’ van ‘verandering’. Dat is een reformistische benadering. Waar deze werd uitgeprobeerd, van Spanje in de jaren 1930 tot Chili in de jaren 1970, heeft dit reformisme steeds gebroken door de contrarevolutie, de geliefkoosde methode van de burgerij als alle andere middelen hebben gefaald. De burgerij moet vandaag niet tot dergelijke methoden overgaan omdat er geen ernstige politieke bedreiging is door massale organisaties van de arbeidersklasse. De vroegere arbeidersorganisaties zijn verburgerlijkt, verdwenen of zoals de vakbonden grotendeels geneutraliseerd door een passieve houding van de leiding.

Een van de positieve dingen in het boek – en zo zijn er niet veel – is de verwijzing van Hobsbawm naar Engels die pleit voor de onafhankelijke positie van de arbeidersklasse en het opzetten van eigen organisaties: “Zo lang het maar een afzonderlijke arbeiderspartij is”, schreef Engels. Dat is waar het CWI wereldwijd aan bouwt en voor pleit: de komende strijdbewegingen moeten we voeren met een eigen politiek instrument. 150 jaar nadat Engels deze oproep deed, moeten we opnieuw opkomen voor onafhankelijke arbeidersorganisaties, nadat deze zijn verdwenen in de jaren negentig (deels met de steun van figuren als Hobsbawm die dienst deed als theoreticus van de grafdelvers van de oude Labour partij).

Gramsci heeft veel geschreven over de rol van ‘intellectuelen’. Dat was grotendeels vanuit een visie op de ontwikkeling van bewustzijn, waaronder ook het heersende bewustzijn of de heersende ideologie van de burgerij. Dat algemene idee is vaak verkeerd begrepen door latere ‘volgelingen’ van Gramsci, maar het is een belangrijk punt. De arbeidersbeweging en ook de marxisten willen intellectuelen beïnvloeden en de besten ook overwinnen naar de kant van de arbeidersbeweging. Er is een strijd nodig om de technici, de middenklasse in het algemeen en zelfs een deel van het management over te winnen.

Met de huidige besparingspolitiek in Groot-Brittannië zijn er harde aanvallen op al het overheidspersoneel, met inbegrip van de politie en het leger, wat kan leiden tot een radicalisering van lagen die zichzelf nooit hebben beschouwd als een onderdeel van of een bondgenoot van de arbeidersklasse. Ook advocaten protesteren tegen de besparingen. Tegenover de aanvallen op hun rechten en arbeidsomstandigheden, kunnen ze naar de kant van de arbeidersbeweging worden overgehaald. Dat zal echter niet gebeuren door een afzwakking van het programma van strijd, solidariteit en socialisme.

Het is enkel door een nieuwe weg aan te bieden, het idee van verandering van samenleving, dat de ambtenaren of intellectuele arbeiders naar de arbeidersbeweging zullen worden getrokken en dit niet enkel qua programma maar ook qua strijdmethoden. Dit werd bevestigd in alle grote sociale bewegingen in Europa en het begint nu opnieuw te ontwikkelen in het verzet tegen de besparingen. Het werd bevestigd in de revoluties in het Midden-Oosten en Noord-Afrika. Een deel van de intellectuelen en jongeren die naar de universiteit of hogescholen trekken, kan eveneens worden aangetrokken tot de arbeidersbeweging. Een deel van hen kan tot marxistische conclusies worden gebracht.

Hobsbawm schrijft: “Gezien het feit dat Italië en het grootste deel van het westen geen Oktoberrevolutie zou kennen in de jaren 1920 – er was geen realistisch vooruitzicht op zo’n revolutie – moest [Gramsci] noodzakelijkerwijze een nieuwe strategie op langere termijn in overweging nemen.” Hobsbawm moet echter erkennen dat Gramsci zich niet beperkte tot één strategie. Hij sloot niet uit dat het tot een ‘frontale aanval’ zou komen, een revolutie in de klassieke betekenis van oktober 1917. Hij was bang voor de “integratie” van de revolutionaire beweging in het kapitalistische systeem. In de stijl van ‘De Heerser’ van Machiavelli, waarbij Gramsci het over de partij had, werkte hij aan een programma voor de arbeidersklasse om een “hegemonie” over de andere klassen te verwerven in de strijd om de macht. Dit idee van “hegemonie” wordt nu in een totaal andere zin geïnterpreteerd dan wat Gramsci bedoelde. Het wordt nu vaak als een kritiek gebruikt, doorgaans door anti-marxisten, op iedere poging om de arbeidersklasse en haar organisaties om zich te vestigen of op de marxisten die op een principiële politieke wijze een meerderheid proberen te verwerven binnen de arbeidersorganisaties.

Ondanks de titel van het boek is Hobsbawm erg pessimistisch over de mogelijkheden om de wereld te veranderen. Het uitgangspunt zou de vernietigende economische crisis moeten zijn, de ergste crisis sinds de jaren 1930. Een indicatie van de omvang van deze crisis is de berekening van het IMF dat het wereldkapitalisme in 2008-10 maar liefst 50 biljoen dollar door het verlies aan productie en vernietiging van productiemiddelen. Dat is evenveel als de totale productie van goederen en diensten in heel de wereld op een jaar. Hobsbawm merkt echter op: “De socialisten hebben er net als alle anderen geen idee van hoe de huidige crisis kan worden overwonnen. In tegenstelling tot de jaren 1930 kan niet naar de voorbeelden van communistische of sociaal-democratische regimes worden gewezen, waar er geen sprake is van crisis. Ook hebben ze geen realistische voorstellen tot socialistische verandering.”

Het verdwijnen van zijn vroegere idolen, de stalinistische regimes van Oost-europa en Rusland, betekent voor Hobsbawm dat het geen zin meer heeft om voor een socialistisch alternatief te pleiten. Voor de Russische revolutie en het opzetten van de Sovjetunie kwamen de socialisten nochtans op een erg efficiënte wijze op voor socialistische verandering, ook al was er geen uitgewerkt model. Zonder deze strijd over verschillende generaties zou de arbeidersbeweging nooit zijn opgebouwd en zou er geen subjectieve factor zijn geweest die noodzakelijk is om een revolutie en sociale verandering door te voeren. Er waren heel wat periodes van desillusies bij economische groei waarbij het kapitalisme leek te ‘werken’, dat was onder meer het geval tussen 1896 en 1914. Reformisten zoals Bernstein in Duitsland, Millerand in Frankrijk en MacDonald in Groot-Brittannië proberen de arbeidersbeweging met het kapitalisme te verzoenen door zich te beperken tot een mars van millimeter per millimeter naar het socialisme. Wereldoorlog Een toonde absolute impasse van de productiekrachten onder het kapitalisme. Dat vormde het failliet van de reformistische opvattingen, ook al werden de aanhangers van dit reformisme niet volledig politiek verslagen binnen de arbeidersbeweging.

Het opzetten van een arbeidersstaat in Rusland werd gevolgd door het verschrikkelijke historische feit van het stalinisme. Dat blijft een obstakel opdat arbeiders vandaag socialistische conclusies zouden trekken. Het stalinisme is een smet op de reputatie van de arbeidersbeweging en op de geschiedenis. Dat heeft geleid tot complicaties die voor Wereldoorlog Een en de Russische Revolutie niet bestonden. Maar de enige manier om deze ‘tegenstelling’ te overwinnen, is door een eerlijke en ernstige balans op te maken van waarom de revolutie in Rusland is ontspoord en hoe dit in de toekomst kan worden vermeden. Hobsbawm is daar niet toe in staat omdat hij vast houdt aan de stoffige politieke standpunten uit het verleden, een overblijfsel van een verdraaiing van het marxisme die niet in staat is om het fenomeen van het stalinisme te plaatsen.