Text Size

Als een miljard Chinezen springen… Nieuw boek over ecologische ramp in China

Socialisten hebben al meermaals gewezen op mogelijke hindernissen voor de sterke economische groei. Eén van die hindernissen is het onderwerp van dit boek: de ecologische crisis die bezig is en steeds erger wordt. Het boek “When a Billion Chinese Jump” is geschreven door Jonathan Watts, de correspondent van de Britse krant The Guardian inzake ecologie in Azië.

Recensie door Stephen Jolly, gemeenteraadslid van de Socialist Party in Melbourne (Australië)

De auteur trekt door enkele Chinese provincies waar hij sprak met bureaucraten van de Communistische Partij, kapitalisten en gewone arbeiders en boeren. Hij had het telkens over hoe de veranderingen op het vlak van milieu als gevolg van het economische “mirakel” een impact hebben op het dagelijkse leven.

Het achtergebleven Yunnan grenst aan Birma, Laos en Vietnam. De zuidelijke provincie is slechts goed voor 4% van de oppervlakte van China, maar het bevat wel meer dan de helft van de plantensoorten en 72% van de bedreigde dieren. Sinds 1950 is het woud in de provincie zowat gehalveerd. Er kwamen in 1998 strike beperkingen voor de houtkap, maar sindsdien hebben houtbedrijven 40 vierkante kilometer bos plat gelegd. Dat is bijna vijftig keer de toegestane norm. Het is een weerkerend gegeven in het boek van Watts. Zelfs als de nationale regering wetgeving doorvoert om het milieu te beschermen, dan blijft het vaak bij woorden en betekent dit amper iets op het terrein.

In Tibet zijn er werden enorme inspanningen gedaan om een weg en een spoorverbinding aan te leggen om de provincie sterker te verbinden met het door de Han-bevolking gedomineerde China. De ecologische impact van de verwachte groei wordt geschat op een temperatuursverhoging van 3,4 graden celsius tegen 2050 waardoor een deel van de permafrost zou afsmelten, waardoor overigens de spoorweglijn naar Tibet in het gedrang kan komen. Sichuan staat bekend voor zijn waterreservoirs, daar zijn er 87.000 van in China. De economische ontwikkeling heeft ervoor gezorgd dat er steeds meer dammen werden gebouwd, ook waar er aardbevingen of schokken kunnen voorkomen.

Watts kwam vier dagen na een aardbeving met een kracht van 8 op de schaal van Richter aan in de provincie. Deze aardbeving vernietigde de dam Zipingpu. Enkele seconden na de aardbeving waren vier miljoen mensen dakloos en 87.000 mensen kwam om in een gebied dat zo groot was als België. De regering was gewaarschuwd voor de gevaren bij het bouwen van een dam, maar het feit dat een dam voor een constante aanvoer van elektriciteit zou zorgen woog net iets zwaarder door. Er kon voldoende elektriciteit worden geproduceerd voor de provinciale hoofdstad Chengdu. Twee jaar later vernietigde een aardbeving alles. Het aanleggen van stuwdammen was ook een vaak voorkomend gegeven tijdens de ‘Grote Sprong Voorwaarts’, een onverantwoord project van ongeleide en ondoordachte projecten van de CCP-bureaucratie in de jaren '50. Tegen 1980 waren 2.796 stuwdammen in elkaar gestort met in totaal 240.000 doden als gevolg.

Watts wijst er op dat Hydro-elektriciteit wel groen overkomt omdat er geen uitstootgassen zijn, maar dat de lokale regeringen tegelijk chemische en andere bedrijven aanmoedigen om zich in de buurt van stuwdammen te vestigen omdat er elektriciteit wordt geleverd. Zeker in meer afgelegen gebieden ligt dat niet voor de hand. Er komen bedrijven rond stuwdammen, maar die hebben ook in het droge seizoen energie nodig en daarom worden er ook energiestations op steenkool aangelegd en daartoe worden er mijnen aangelegd. “Het resultaat van deze cyclus is dat schone energie al snel erg vuil wordt.”

De verschrikkelijke handel waarbij bedreigde dieren worden gekweekt voor restaurants en apotheken komt ook aan bod in het boek. In Xiongsen is het aantal tijgers in gevangenschap toegenomen van 12 in 1992 tot 1300 vandaag. Tegelijk nam het aantal tijgers in het wild af van enkele duizenden tot minder dan vijftig. Er zijn 164 broedcentra voor zeldzame soorten zoals schorpioenen, zwarte beren, muskusherten of gouden schildpadden.

Guangdong kent een omvangrijke afvalindustrie op basis van hergebruik en verwerking van afval uit de ontwikkelde kapitalistische wereld. Containerschepen die goederen vanuit China naar het Westen exporteren komen terug met afval. In de EU en de VS is het verboden om zomaar afval te dumpen en wordt hergebruik aanbevolen. In veel gevallen betekent dit dat het afval naar China wordt geëxporteerd en dan vooral naar Guangdong. Dat er vaak giftig afval tussen zit, wordt niet als een probleem gezien. De hoeveelheid lood in het bloed van kinderen in Guiyu ligt 50% boven de maximumnorm in de VS.

De auteur van het boek legt uit dat milieuoverwegingen de tweede belangrijkste bron van sociale onrust zijn na illegale onteigeningen van grond. In 2005 waren met milieu verbonden thema’s goed voor 5.000 massa-incidenten, 128.000 kleinere disputen en 500.000 brieven en petities. Watts brengt een verslag van een confrontatie die hij zag tussen 2.000 oproeragenten en 20.000 dorpelingen in Zhejiang. Zijn verslag van die confrontatie is adembenemend. Dagenlang was het dorp in handen van de bevolking en de politie had versterking nodig.

Watts legt uit dat de autoriteiten in Xinjiang vooral bang zijn van de gevolgen van het feit dat 36.000 mensen hun investeringen waren verloren in een ouderwetse piramideverkoop die in elkaar was gestort. “Salvador Dali zou er niet in slagen om een nog meer surrealistisch beeld te geven van het zakenlandschap in China.”

Het boek When a Billion Chinese Jump legt uit dat het Westen haar vervuilingproblemen probeert te outsourcen naar China. De kustprovincies hebben bovendien de ergste vervuilers steeds meer naar het binnenland verdreven, naar de armere provincies in het westen van het land. De Wereldbank schatte in 2007 dat de gemiddelde jaarlijkse kosten van de Chinese vervuiling 5,8% van haar bbp bedroeg. Samen met erosie, woestijnvorming, bodemverontreiniging en algemene ecologische ondermijning kan dat percentage oplopen tot 8-12% van het bbp. Hierdoor zou de Chinese economie er volgens Watts eigenlijk op achteruitgaan.

De verstedelijking in China gebeurt bijzonder snel. Er zijn vijf Britse steden met meer dan een miljoen inwoners, in China zijn dat er intussen meer dan 120. Het gaat daarbij om steden die relatief onbekend zijn in het Westen: Suqian, Suining, Xiantao of Xinghia. In het eerste kwart van deze eeuw zullen de helft van de nieuwe gebouwen in de wereld worden opgetrokken in China. Daaronder zullen er 50.000 wolkenkrabbers zijn, dat is evenveel als tien keer het aantal van New York. Dit gebeurt uiteraard door bouwvakkers. De meeste bouwvakkers leven in hutten. Watts interviewde zo’n bouwvakker die 11 uur per dag werkt voor 50 yuan (iets meer dan 5 euro).

Het hoofdstuk over Shanghai gaat vooral over de xiaobailing, alleenstaande vrouwen uit de middenklasse of de hogere arbeidersklasse die moeten instaan voor de interne consumptie in het land. Het aantal vestigingen van Kentucky Fried Chicken is van één in 1987 toegenomen tot 2.000 vandaag en dat in 400 Chinese steden. 15% van de Chinezen heeft te kampen met overgewicht. Een gemiddelde inwoner van Shanghai heeft twee gsm’s, 1,7 aircosystemen, 1,7 televisies, iets meer dan 1 koelkast en deze gemiddelde inwoner geeft jaarlijks 14.761 yuan uit, dat is 70% meer dan in de rest van het land. Watts is onder de indruk van de snelheid van de veranderingen: “mijn Britse familie had drie generaties voor mijn contact in Shangai al een telefoon, maar haar ouders waren vier jaar eerder online dan mijn ouders.”

Ecologisch gezien is Henan de ergste provincie van China. Daar leven 100 miljoen mensen in een gebied dat twee keer zo groot is als Schotland. “Het is het centrum van de armoede, kanker, aids, slavenarbeid, onevenwicht tussen het aantal mannen en vrouwen als gevolg van selectieve abortus, overlijdens bij geboorte, moord,…”

Vanaf de jaren '80 heeft de regering de snelle groei gepromoot door de ergste vervuilers die elders niet welkom waren met open armen te ontvangen. Het ergste bedrijf is wellicht Lianhua dat smaakstoffen produceert. Iedere dag loost het bedrijf 120.000 ton vervuild water. Vervuilde slierten van 70 kilometer lang zijn geen uitzondering. Rond dit soort slierten in de rivieren zijn er heel wat ‘kankerdorpen’.

Henan is het centrum van het Aids-schandaal waarbij armen hun bloed verkochten. Tegen 1995 was Henan een heuse Chinese bloedfabriek. Daarbij werden een aantal basisregels op het vlak van hygiëne achterwege gelaten waardoor een groot aantal donors besmet geraakten met HIV.

Watts legt uit dat heel wat vervuiling voortkomt uit de steenkoolindustrie die goed is voor 69,5% van de energie in het land. Sinds 1980 vielen 170.000 doden in de mijnbouw, dat zijn er 30 keer zoveel als in de VS. Het belang van steenkool voor de economie verklaart waarom China zo terughoudend is bij internationale regels over uitstootgassen. Tussen 2003 en 2008 kwamen er per week gemiddeld meer dan twee nieuwe steenkoolstations bij met elk een capaciteit van 600MW.

De strijd om de planeet te redden van haar zelfvernietiging moet een onderdeel zijn van de internationale strijd om zowel het kapitalisme als de bureaucratie in China omver te werpen. Slechts dan kan er een geplande productie komen die op democratische wijze tot stand komt en die rekening houdt met de veiligheid van de bevolking. Het is utopisch te denken dat de regeringen die de vervuilers beschermen en aanmoedigen tegelijk ook acties voor het milieu zouden ondernemen.

Een toekomstige democratische en echt socialistische samenleving in China zou de energie anders organiseren. Er zou ook een andere organisatie van de landbouw komen. Vandaag gebruiken Chinese boeren twee keer zoveel insecticide en meststof als hun Amerikaanse collega’s. China is de grootste vervuiler van de Stille Oceaan door lozingen van vervuild water, industrieel afval of vervuilde metalen.

Dit boek is geschreven door een journalist van een kwaliteitskrant en het brengt een opvallende opsomming van soms erg deprimerende feiten. De tekst is scherp en vlot geschreven. De auteur eindigt met enkele politieke conclusies. Er wordt gewezen op een geleidelijke nadruk op milieuwetgeving door de centrale regering in Peking. Dat wordt meteen genuanceerd door erop te wijzen dat het departement van milieu geen nationaal netwerk heeft en dat op lokaal vlak geen rekening wordt gehouden met nationale regels.

China heeft op een aantal vlakken meer reservaten dan elk ander land, maar de definities en omschrijvingen zijn erg vaag. Inbreuken worden amper bestraft en er wordt al eens een oogje toegeknepen voor de projectontwikkelaars. Lokale regeringen verzetten zich vaak tegen reservaten en leggen die pas aan als de economie in elkaar stort. China plant meer bomen dan de rest van de wereld, maar dit gebeurt op een erg eenzijdige wijze met een monocultuur als gevolg. En dat is niet direct een gebied waar vogels zich thuis voelen.

De vernietiging van de wouden in China wordt aangedreven door het feit dat het land veel hout gebruikt. Officieel zijn er beperkingen, maar er werden nog nooit zoveel bomen gekapt. Een expert stelt dat slechts 10% van de milieuwetten in het land ook echt worden opgelegd. Watts stelt: “Het politieke systeem van China toont de ergste elementen van dictatuur en democratie: de macht ligt niet bij de top en ook niet bij de basis, maar bij een middenklasse van projectontwikkelaars, vervuilers en lokale autoriteiten die amper verantwoording verschuldigd zijn.” Maar dat kan natuurlijk veranderen als gevolg van een massale opstand van arbeiders en boeren.

Dit boek is een aanvulling op het groeiend aantal boeken dat de afgelopen periode is uitgekomen over het Chinese economische mirakel dat geen echte oplossingen aanbiedt. Naar het einde van het boek keert Watt zich naar het boedhisme en het daoisme om mogelijke antwoorden te vinden. De echte oplossing zal echter komen van de Chinese bevolking zelf. Zij moeten zich nog uitspreken over de problemen waarin het land wordt gestort. De conclusies van dit boek zijn erg zwak, maar When a Billion Chinese Jump biedt wel interessant feitenmateriaal aan.