Text Size

Muziek hoort revolutionair te zijn

In deze kapitalistische samenleving hebben critici de neiging artiesten te verafgoden; ze behandelen hen als goden met toegang tot een bijzondere, geheime bron van inspiratie, waaruit hun artistieke productie voortvloeit. Muziek wordt verklaard door muziek; er zijn talloze genealogieën van populaire genres, in het bijzonder metal. Tony Iommi, gitarist bij metalpionier Black Sabbath, streek zijn snaren en decennia muzikale geschiedenis volgden op magische wijze.

 

Beeld: ‘Vertaling in geluid’ door Alejandra Abad (zie meer uitleg onderaan het artikel)

 

Dossier door Koerian, in het Engels gepubliceerd in het magazine ‘Bad Art’ – te koop in onze Belgische webshop

Er zijn echter grondiger manieren om de geschiedenis en ontwikkeling van ideeën en hun volgers te bestuderen, onder andere de marxistische methode. Muziek en muzikanten zijn volledig ingebed in hun sociale en economische context: in levensomstandigheden, gebeurtenissen die zich rond hen ontvouwen, enzovoort. Geen enkel genre kan op een betekenisvolle manier worden gescheiden van haar historische context.

Er zijn, zelfs vandaag, heel wat uitgesproken politieke en progressieve artiesten. Denk maar aan Amerikaans hip-hop duo Run the Jewels, Engelse post-punk tandem Sleaford Mods, of de golf artiesten die werkten binnen of geïnspireerd zijn door de Black Lives Matter beweging. Muziek weerspiegelt de omstandigheden waarin ze wordt gemaakt, en die omstandigheden helpen bepalen welke artiest wordt gehoord. Post-punk pionier Ian Curtis mocht dan wel voor de conservatieven stemmen, zijn schreeuw was de schreeuw van desindustrialisering, armoede en sociale uitsluiting. De wanhopige muziek van zijn band Joy Division, was de wanhoop van een generatie wiens toekomst werd verkocht door neoliberalisme, een politieke strekking die de neiging van het kapitalisme om de levensomstandigheden van de werkende klasse te verslechteren, versnelde. Curtis’ muziek was, zoals veel grote kunst, een levendige uitdrukking van een sociale realiteit en een maatschappelijke stemming.

Daarmee willen we niet zeggen dat er één “juiste” uitdrukking is. Zowel Nirvana en grunge als de experimentele rock van Radiohead drukten de grieven uit van jongeren die na de val van de Berlijnse Muur vast kwamen in ongebreidelde commercialisering en consumentisme. De één boos en verveeld, de ander triest en verloren.

Muzikaal conservatisme

Als muziek haar omstandigheden weerspiegelt, kan het geen verrassing heten dat we tot op zekere hoogte allemaal dansen op tonen van het dominante systeem: neoliberaal kapitalisme. Net als in andere sectoren hebben decennia van vrije markt en kapitalisme geleid tot monopolies in de muzieksector. We leven in een tijd waarin de muziekwereld wordt gedomineerd door drie grote bedrijven: Sony, Universal en Warner. Tijdens het proces van monopolisering dat plaats vond in de laatste decennia werden zelfs mastodonten als EMI en BMG opgeslokt door grotere spelers. Het doel van deze bedrijven is simpel: zo veel mogelijk winst maken.

Artiesten en hun werk zijn niet meer dan ruilwaar. Wat volgens platenbazen het meest en met het minste moeite verkoopt is herkenning en homogeniteit. Voorbij zijn de dagen van koortsachtig zoeken naar het volgend talent, naar de volgende artiest wiens innovatief geluid een breed publiek kan raken – en winst kan opleveren. Popartiesten worden steeds meer gekneed: hun muziek wordt voor hen gemaakt, hun uiterlijk wordt voor hen bepaald. Waarom jagen als je kan kweken?

Monopolies in de muziekindustrie moedigen muzikaal conservatisme aan. Een populair voorbeeld hiervan is de zogenaamde millennial whoop, een opeenvolging van twee intervallen die een tijd alomtegenwoordig was in commerciële pop, rock en R&B, van Kings of Leon tot Katy Perry. Een simpel, herkenbaar deuntje dat steeds opnieuw werd herhaald.

Alle muziek is natuurlijk gebaseerd op herhaling, herkenbare geluiden en deuntjes, variaties op een thema. Maar wanneer wordt referentiële creativiteit mechanische duplicatie? Er is een belangrijke tendens in de pop naar steeds grotere eenheidsworst.

Dit neoliberaal muzikaal conservatisme weerspiegelt de groeiende commercialisering van alle aspecten van ons leven. Dezelfde kleding-, koffie-, elektronica- en hamburgerketens domineren het uitzicht van hedendaagse steden. De monotonie die door kapitalistische propagandisten altijd aan communisme werd toegeschreven behoort steeds duidelijker toe aan het kapitalisme van de 21ste eeuw.

Evenzo geven en gaven groepen mensen die een tegenstroom vormen tegen de heersende stroom – subculturen, contraculturen, revoltes en scènes – allemaal gestalte aan hun eigen geluid. Dit is, zoals elke kunst, een collectieve inspanning, een resultaat van de activiteiten van een resem mensen. Zulke nieuwe scènes gaan op zoek naar nieuwe geluiden, buiten traditionele grenzen.

Ze gaan op zoek naar nieuwe manieren om een stem te geven aan observaties van zichzelf, hun sociale condities en de wereld rond hen. Deze inspanningen kunnen enkel overleven wanneer ze worden ondersteund door een toegewijde groep fans, muzikanten, promotoren, zalen, bloggers die zich verbonden voelen met dat nieuw geluid, vanuit hun eigen sociale condities en leefwerelden. Het nieuwe geluid groeit uit een discussie tussen een groep gelijkgestemden en wordt verspreid binnen en door een dergelijke groep mensen, die onlosmakelijk verbonden is met sociale ontwikkelingen.

Grunge is ondenkbaar zonder de onderstroom van Seattle, black metal zonder de Noorse. De gediscrimineerde en uitgestoten jongeren uit de Bronx in de jaren ’70 creëerden hip hop. Gemarginaliseerde Londense jongeren kwamen begin jaren 2000 met grime. Deze stijlen en scenes hadden eigen zalen, netwerken en methodes om muziek te verspreiden, eigen sociale kringen en samenkomsten waarop ze rekenden om te overleven. Deze scènes komen steeds meer onder druk te staan. Kleine platenmaatschappijen kunnen niet concurreren met giganten; ze kunnen enkel overleven in markten die zulke molochen niet winstgevend achten. Wanneer Sony besluit dat één of ander nieuw genre geld in het laatje kan brengen vallen onafhankelijke labels als vliegen.

Muziekmultinationals zijn in staat producten goedkoper en op groter schaal te verspreiden, bij consumenten die zelf onder druk staan van besparingen en lage lonen. Ze kunnen artiesten bovendien een hoger salaris bieden, een manier om van hun muziek te leven. Inschikkelijke artiesten worden gekneed om een breder publiek aan te spreken en de desbetreffende muziek wordt uitgehold. Intense samenwerking, een kenmerk van eender welk non-commerciële muziekscène verdwijnt, wat die uitholling enkel versterkt. Van NWA naar Kanye West in rap, van Emperor naar Sabaton in metal, van Dead Kennedys naar Green Day in punk.

Neoliberalisme

Achterliggend bij voorgaande processen zijn kenmerken van het kapitalisme in elke vorm. Desalniettemin konden de beperkte hervormingen van de naoorlogse periode in de meeste ontwikkelde economieën – hogere lonen en uitkeringen, meer voorzieningen en vrije tijd – deze processen gedeeltelijk tegengaan, ze creëerden de ruimte voor meer engagement. Ze boden natuurlijk geen oplossing. Neoliberaal kapitalisme, een terugkeer naar een wereld zonder zelfs deze kleine verworvenheden voor jongeren en de werkende klasse, maakte een eind aan deze periode.

De effecten van neoliberalisme snijden diep binnen de onafhankelijke muzieksector, zowel live als opgenomen. De voortschrijdende monopolisering van de muziekmarkt doen heel wat onafhankelijke of niet-winst-gebaseerde festivals spartelen of verdwijnen. All Tommorow’s Parties, een innovatieve Engelse festivaltour – verdwenen. Quart in Denemarken – is verdwenen. Incubate uit Nederland is op sterven na dood. Ze worden weggeconcurreerd door evenementen als Northside, Best Kept Secret of Down the Rabbit Hole: festivals georganiseerd door multinationals, eerst voorzichtig gericht op een bepaalde niche om vervolgens volledig te commercialiseren. Mensen worden in de val gelokt van zwaar geadverteerde muziek “happenings” en betalen enorme ticketprijzen om in een lange rij te wachten op verwaterd bier.

Technieken van massaproductie maken het mogelijk om albums gemakkelijk en goedkoop te maken en te verspreiden. Het internet maakte muziek toegankelijk voor miljarden mensen. Voor de digitale revolutie waren platenmaatschappijen het almachtig doorgeefluik tussen muzikanten en publiek. Ze controleerden wie iets kon verdienen en belemmerden muziek die te vooruitstrevend was (tenzij de onderliggende scène groot genoeg was). Vandaag kan bijna iedereen muziek online publiceren.

In een economisch systeem gebaseerd op winst kunnen streaming-reuzen als Apple, Google, Spotify en Deezer dit grote aanbod echter uitbuiten om artiesten bijna niets te betalen. Als gewone fan door de waas van commerciële muziek breken is bijna onmogelijk. Je hebt een sterk netwerk van gelijkgezinde muziekliefhebbers, met heel wat tijd om handen – een scène – nodig om meer innovatieve muziek te leren kennen. In een wereld van alomtegenwoordige advertenties, enkel beschikbaar voor de Biebers en Kanye’s van deze wereld, is het voor niet-commerciële muzikanten moeilijker dan ooit om onder de aandacht te komen.

Fans die fysieke exemplaren van hun favoriete albums willen, betalen steeds meer. De fysieke markt wordt steeds meer een luxemarkt. Dit is echter ook deels de manier waarop onafhankelijke labels en scènes vandaag overleven. Ze richten zich grotendeels op een deel van de middenklasse die zich nu en dan vinyl kan veroorloven. Dit is ook voor een deel waarom niet-commerciële scènes als drone overleven: ze hebben een loyale basis van fans met een beetje koopkracht.

Aan de ene kant verzekert dit de voortzetting van (sommige) genres die bakens proberen verzetten. Aan de andere kant is het een laatste strohalm die de groei van die genres kan belemmeren. Het weerhoudt heel wat mogelijke muzikale helden uit de werkende klasse als Cobain of Curtis die genres te ontdekken en zorgt voor een scheiding tussen hen en de bredere maatschappij, waardoor de relevantie van de genres in kwestie afneemt. Bovendien eroderen neoliberale besparingen ook de welvaart van de middenklasse, en dus de financiële basis waarop vele onafhankelijke scènes rusten.

Het schijnbare gebrek aan een nieuwe punk of grunge, een genre dat van de achterafstraten naar de chique televisieshows klimt, geeft de hedendaagse muziekwereld een stagnerend uitzicht. De oplossing is politieke strijd. Verzet tegen aanvallen op de leef- en werkomstandigheden van de meerderheid moet een programma door en voor artiesten inhouden, met eisen als directe democratische controle van artiesten, werknemers en publiek over grote labels, festivals en streamingdiensten.

Dit zou moeten helpen met het bekostigen van gratis of erg goedkope repetitieruimtes en zalen. Publiek bezit van alle grote bedrijven zou de rest kunnen dekken, net als zekere woonsten en werk, degelijke lonen en uitkeringen en genoeg vrije tijd voor iedereen. Dit zou artiesten en scènes de mogelijkheid geven te overleven en trouw te blijven aan hun sociale wortels, zo de basis leggend voor muzikale revoluties.

Zelfs de strijd voor verandering zelf zal een factor zijn in de creatie van nieuwe muziek. Occupy Wall Street en Black Lives Matter gaven een impuls aan een boel geëngageerde artiesten als Run the Jewels. Zij reflecteren het beste en slechtste van die bewegingen: experimenteel maar vaak apolitiek. Hun nieuwe album Run the Jewels 3 is in die zin een stap vooruit en vormt voor een deel de weerspiegeling van de politieke sprong van Occupy naar de Bernie Sanders-beweging.

De Arabische revoluties creëerden de embryo’s van nieuwe, voornamelijk elektronische muziekscènes. Strijd brengt nieuwe vormen van muziek voort, maar moet ook een nieuwe maatschappij voorbrengen waarin nieuwe en vernieuwende muziek kan gedijen. De Russische revolutie, 100 jaar geleden, was een goed voorbeeld van beide. In een systeem dat muziek ziet als een pad naar winst is er geen alternatief mogelijk.

Beeld: ‘Vertaling in geluid’ door Alejandra Abad

‘Vertaling in geluid’ werd gemaakt met inkt op waterkleurig papier in 2007. Het bestaat uit verschillende delen die samen een geheel vormen. Elk onderdeel varieert van licht naar donker afhankelijk van het gebruik van inkt. De illustraties werden gemaakt met eenvoudige en complexe lijnen. Muziek was het concept waarmee ik begon te tekenen op lege bladen. De timing en veranderingen van de muziek deden mijn handelingen versnellen of veranderen. Ik wilde het gewicht van geluid aantonen. De afbeelding van geluid werd visueel gebracht door het contrast tussen de inkt en de onaangeraakte achtergrond. Als de inkt het papier overnam, was het geluid ook de ruimte waarin ik zat aan het overnemen. Eenvoudige en complexe lijnen kregen vorm naargelang hoe ik het geluid begreep. Een van de tekeningen werd uitgekozen als de banner voor het Lollapalooza festival in Chicago. Lollapalooza en het School of the Art Institute of Chicago vierden de kunst van de studenten met een tentoonstelling die drie dagen duurde. Daar kon ik enkele van mijn favoriete artiesten ontmoeten.