Text Size

Links en de EU, vooruitgang in Portugal en Spanje, verwarring in Groot-Brittannië

De Spaanse linkerzijde die met Unidos Podemos gezamenlijk optrekt in de verkiezingen van 26 juni, kan een belangrijke doorbraak maken. Het leidt tot nieuwe hoop en een mogelijkheid van verandering. Voor de tweede keer op enkele jaren kan een echte linkerzijde in een positie komen om een alternatief programma door te voeren. We moeten lessen trekken uit de eerste, mislukte, ervaring van Syriza in Griekenland om de kansen in Spanje en elders te grijpen. In dit artikel gaan we na hoe belangrijke delen van de linkerzijde in Portugal en Spanje reageren op het verraad van Syriza en meer specifiek wat hun houding is tegenover de kapitalistische EU en de euro.

 

eu

Dossier door Danny Byrne, CWI

 

Toen Alexis Tsipras en de leiding van Syriza de heldhaftige ‘OXI’ van de Griekse werkende bevolking in het referendum van afgelopen zomer verried, kreeg niet alleen Syriza of de Griekse arbeidersklasse een zware slag te verduren. De capitulatie van Tsipras zorgde voor een keerpunt in de linkse politiek in Europa, er was een “voor en een na.”

Het standpunt dat voorheen door de meeste Europese linkse leiders werd verdedigd – van Syriza tot het Portugese Linkse Blok of Podemos in Spanje – was redelijk duidelijk en werd quasi unaniem gedeeld. Er werd gepleit voor een links anti-besparingsprogramma tegen de dictaten van de trojka. Dit werd niet als antikapitalistisch of socialistisch voorgesteld. Tegelijk wierpen deze krachten zich op als verdedigers van de Europese Unie en het project van de euro. De EU verlaten, stond nooit op de agenda. De besparingspolitiek bedreigde “onze EU”, was het standpunt. Linkse regeringen waren nodig om de EU te redden.

Deze benadering werd voor het eerst sinds het begin van de huidige crisis uitgetest in Griekenland. Syriza won de verkiezingen als gevolg van de ineenstorting van de voormalige sociaaldemocratische PASOK na de rampzalige regeringsdeelname van PASOK, en van de lange periode van klassenstrijd met meer dan 30 algemene stakingen. Het resultaat vandaag is dat er een regering onder leiding van Syriza is die zelf met algemene stakingen tegen het besparingsbeleid geconfronteerd wordt.

Deze harde realiteit moest wel gevolgen hebben. Alle ogen en hoop van werkenden, jongeren en onderdrukten in heel Europa waren immers op Griekenland en Syriza gevestigd. De Griekse ervaring werd van nabij gevolgd. Deze ervaring na maandenlange onderhandelingen zonder resultaat en naïeve oproepen aan de trojka tot redelijkheid met uiteindelijk een nederlaag, was leerrijk voor de arbeidersbeweging en de linkerzijde in Europa en de rest van de wereld.

We moeten er lessen uit trekken. Aanvankelijk was er een begrijpelijke schok en ontgoocheling. Maar de ervaring met Syriza en Tsipras kon enkel het begrip van werkenden over het karakter van dit systeem en van de EU en de euro versterken. Dit is effectief wat we nu zien.

Portugal: van ‘links Europeanisme’ naar een verzet tegen ‘asociale Europese oorlogsmachine’

De wijze waarop het standpunt van de Portugese linkerzijde evolueerde, is daar een voorbeeld van. De afgelopen jaren speelde de Portugese linkerzijde een belangrijke rol in het ideologisch onderbouwen van de pro-Europese positie van links. Leiders van het Links Blok, zoals Francisco Louca (een lid van het Verenigd Secretariaat van de Vierde Internationale), gebruikten de term “links Europeanisme” om hun standpunt samen te vatten.

Er werd gepleit tegen een exit uit de EU en de euro. Zo’n exit werd voorgesteld als ‘niet internationalistisch.’ Ze stelden dat de oplossing voor de Europese crisis alleen vanuit de EU kon komen met een progressief beleid dat vertaald moest worden in eisen aan de Europese instellingen. Tegenover de schuldencrisis pleitte het Links Blok bijvoorbeeld voor “eurobonds” en het “mutualiseren” van de overheidsschulden zodat de sterkste economieën in Europa een deel van de lasten van zwakkere landen als Portugal of Griekenland zouden dragen.

In 2010 stemden de verkozenen van het Links Blok in het parlement voor het “reddingsplan” van de trojka voor Griekenland. Er werd enkel opgemerkt dat  de plannen een socialer karakter moesten krijgen. Er werd geëist dat de Europese Centrale Bank ‘gedemocratiseerd’ zou worden en aan de landen uit de periferie aan lagere rentevoeten zou lenen, naar het voorbeeld van de rentevoeten voor de private sector.

Hun standpunt ging uit van het verkeerde perspectief dat er een betekenisvolle en diepgaande integratie in Europa zou zijn waarbij nationale spanningen en belangen op kapitalistische basis overstegen werden. Vanuit deze logica volgde een ‘links Europeanisme’. Het CWI verzette zich tegen dit perspectief. We stelden dat er onoverbrugbare beperkingen waren aan het kapitalistische Europese eenheidsproject. Dit proces kon vooruitgang boeken in een context van economische groei, maar in een periode van crisis moest het tot problemen leiden. En dat is effectief wat er gebeurde.

Het asociale besparingsbeleid van de trojka in Portugal was geen uitdrukking van een reeks ‘politieke keuzes’ op basis van de samenstelling van het Europese parlement of zo. Het was een beleid dat opgelegd werd door de klassen- en nationale belangen van de krachten die het in het EU-project voor het zeggen hebben – in essentie de grote Europese bedrijven en het financiewezen onder leiding van Duitsland en de machten van Centraal- en Noord-Europa. Het Portugese kapitalisme steunde dit beleid.

We stelden steeds dat het niet mogelijk is om de EU of andere instellingen van de trojka een progressief beleid te laten voeren niet mogelijk is. Oproepen aan de EU om een progressief beleid te voeren, gaat voorbij aan het karakter van die instellingen waarbij de EU een “sociale” rol toebedeeld krijgt die ze per definitie niet kan uitvoeren.

De onbuigzaamheid van de trojka voor de erg bescheiden vragen en oproepen van de Griekse regering maakte duidelijk dat onze waarschuwingen terecht waren. Ook binnen de linkerzijde was er een verandering in het bewustzijn rond de EU, dit was ook het geval onder de leden en de leiding van het Links Blok.

De leiding veranderde drastisch van koers. Zo stelt de tekst van de leiding voor de partijconventie van juni dit jaar (“Motie A”): “Het project om de Europese instellingen democratisch te herdefiniëren, is vandaag niet langer geloofwaardig. Deze EU zal steeds een asociaal project zijn. De EU is een oorlogsmachine tegen de bevolking en tegen de sociale rechten.”

De nieuwe leidinggevende figuur, Catarina Martins (die niet tot linkerzijde van de partij gerekend wordt), stelde dat het nodig is om voorbereid te zijn op een uittrede uit de eurozone als mogelijk gevolg van een antibesparingsbeleid. In de verkiezingscampagne van oktober 2015 stelde ze: “Als het nodig is om te kiezen tussen waardigheid en de euro, dan moet Portugal voor de waardigheid kiezen.” En nog: “Elke regering die Schäuble niet gehoorzaamt, moet erop voorbereid zijn dat de ECB de deuren sluit en Schäuble haar uit de euro zet.”

Een document van de linkse oppositie op de conventie van juni (“Motie R”) gaat verder en roept op om een commissie in het Links Blok te vormen om de gevolgen en praktische stappen bij een exit uit de euro te onderzoeken. Socialismo Revolucionario, het CWI in Portugal, steunt deze motie.

De Portugese Communistische Partij (PCP) staat al langer voor een verzet tegen de euro en de EU, ook al is dit niet gebaseerd op een uitgewerkte socialistische en internationalistische benadering. Het maakt dat de Portugese linkerzijde scherp opgeschoven is in de richting van een duidelijke oppositie tegen de kapitalistische EU en de eurozone.

Het is natuurlijk niet evident om dit scherpere abstracte inzicht in het karakter van de Europese instellingen te vertalen in praktische voorstellen en programmapunten. De leiding van het Links Blok gedoogt samen met de PCP een regering van de voormalige sociaaldemocratische ‘Socialistische’ Partij. Dit zal vrij snel de kwestie van een confrontatie met de Europese instellingen en de nood aan strijd voor een alternatief stellen.

Socialismo Revolucionario komt op voor een eenheidsfront van linkse partijen, sociale bewegingen en vakbonden om een radicale breuk met het besparingsbeleid te realiseren en om vanuit een onafhankelijke positie de druk op de regering op te voeren voor oprechte hervormingen. Strijdbewegingen kunnen hervormingen afdwingen, maar uiteindelijk zal een eenheidsfront de kwestie stellen van een strijd voor een socialistische regering om te breken met de besparingen en het kapitalisme.

Spaanse linkerzijde keert zich tegen EU en eurozone

Over de grens is er in Spanje een gelijkaardige ontwikkeling. De leiding van Podemos steunde het verraad van Tsipras. Pablo Iglesias verklaarde dat hij hetzelfde zou gedaan hebben. Maar anderen hebben wel lessen getrokken.

Izquierda Unida won in de verkiezingen van december ongeveer een miljoen stemmen. Nu vormt het een electorale alliantie met Podemos voor de verkiezingen van 26 juni. De partij heeft een nieuwe linkse leider, Alberto Garzon. Onder zijn leiding was er qua programma en retoriek een wending naar links. Dit geldt ook voor de discussie over de EU en de euro.

De politieke motie die door Garzon op de IU-raad werd voorgelegd en met meer dan 70% werd goedgekeurd, stelde: “De EU kan niet hervormd worden en is onverenigbaar met de soevereiniteit van de volkeren of met gelijk welk beleid van sociale verandering.” De motie pleit voor een radicaal antibesparingsbeleid dat “de tegenstellingen van het Europa van de euro blootlegt” waarbij “we bereid zijn om de gevolgen van een soeverein economisch beleid in het belang van de meerderheid van de bevolking te dragen, zoals een verdrijving van ons land uit de EU.”

De Spaanse Communistische Partij, de belangrijkste component van IU die de meerderheid van de leiding in handen heeft (ook Garzon behoort tot de CP), nam op het 20ste partijcongres in april nog een sterker standpunt in. Er werd gepleit voor “een breuk met de euro en de EU” omdat deze “niet hervormd kunnen worden aangezien ze gebaseerd zijn op kapitalistische principes en waarden.”

Zowel IU als de CP combineren hun verzet tegen de EU met een oproep tot een internationale alliantie van arbeidersstrijd en linkse krachten om een alternatief te vormen. Garzon had het over de mogelijkheid van een Zuid-Europese politieke unie van linkse regeringen – naar het model van ALBA, de alliantie van progressieve Latijns-Amerikaanse regeringen die door Hugo Chavez in 2004 werd gepromoot. De ALBA-regeringen braken niet met het kapitalisme, maar de verwijzing hiernaar is nuttig omdat een regering die breekt met het Europese besparingsbeleid en het kapitalisme inderdaad een internationale impact zou hebben en de basis kan leggen voor een internationalistisch alternatief.

Zoals met het Links Blok in Portugal valt het nog af te wachten of en hoe deze standpunten zullen vertaald worden in een praktisch programma. Socialismo Revolucionario, het CWI in Spanje, stelt dat de linkerzijde en de arbeidersbeweging dringend behoefte hebben aan een revolutionair socialistisch programma en beleid om te vermijden dat de Spaanse linkerzijde Tsipras achterna gaat. Gelijk welke regering die een mandaat krijgt om de besparingen te stoppen, zal in de huidige context moeten overgaan tot de nationalisatie van de banken en grote bedrijven onder democratische controle, de invoering van kapitaalcontrole en de afbetaling van de publieke schulden moeten stoppen. Dit alles is vereist als voorwaarde om capitulatie en verraad te vermijden.

Verwarring over Brexit

Een marxistisch standpunt vertrekt van het begrip dat het bewustzijn zich in concrete omstandigheden ontwikkelt. De ervaringen van gebeurtenissen leiden tot een scherper begrip onder werkenden en jongeren over de taken in de strijd voor verandering.

Deze beweging onder de linkerzijde in het zuiden van Europa naar een scherpere oppositie tegen de kapitalistische EU als gevolg van het falen van het euro-reformisme van Syriza, is daar een uitdrukking van. In de landen die het dichtst bij Griekenland liggen en waar de ontwikkelingen het sterkst gevolgd werden, is er meer duidelijkheid gekomen over het karakter van de Europese instellingen.

In Groot-Brittannië, waar de campagne naar het referendum over de Brexit stilaan in de laatste rechte lijn komt, heeft dit proces blijkbaar minder impact gehad op de leiding van de arbeidersbeweging. De meeste vakbondsleiders en ook linkse figuren binnen Labour, waaronder Jeremy Corbyn zelf, namen een voorzichtige ‘Remain’ (in de EU) positie in. Bij het eerder referendum in 1975 spraken de linkse Labour-leiders en de vakbondsleiders zich nog resoluut uit tegen lidmaatschap van de voorloper van de EU.

Deze opstelling is deels het resultaat van de voorbije periode toen er illusies gezaaid werden in het ‘sociale’ karakter van de EU. De illusie van een ‘sociaal Europa’ werd grotendeels naar voor gebracht als defaitistisch antwoord op de nederlagen van belangrijke strijdbewegingen in de jaren 1980. Er werd naar Europa gekeken om de eigen nederlagen niet te moeten analyseren: het feit dat de staking van de mijnwerkers grotendeels geïsoleerd bleef net als de strijd van lokale besturen zoals dat van Liverpool dat het besparingsbeleid verwierp.

Behalve aanklagen hoe brutaal de Griekse bevolking door de EU werd behandeld, trekken die linkse leiders die voor ‘Remain’ pleiten vandaag geen politieke conclusies uit de ervaring met Syriza. Meer nog, eigenlijk beperken ze zich tot rouwbetuigingen aan de Griekse arbeidersklasse om vervolgens bijna letterlijk de argumenten te herhalen van de leiding die deze arbeidersklasse verraden heeft.

Natuurlijk worden beide kanten in de campagne voor het Brexit-referendum geleid en gedomineerd door de reactionaire rechterzijde. Dat kan niet genegeerd worden. Maar deze factor is op zich een gevolg van de positie die werd ingenomen door de vakbondsleiders en de groep rond Corbyn. De Socialist Party merkte meermaals op dat de vakbonden en Labour-leiders met een duidelijk ‘leave’-campagne de dynamiek compleet konden veranderen.

Het politiek manifest van Izquierda Unida bevat enkele pertinente opmerkingen hierover. Het document stelt: “Decennia van ideologische propaganda in alle media waar het systeem over beschikt en de angstige, zoniet medeplichtige, positie van een groot deel van de Europese linkerzijde heeft het idee ingang doen vinden dat de EU een garantie is voor welvaart uit het verleden en heden, alsook voor de toekomst.” Dit wordt verbonden met het gevaar van rechts populisme met de stelling dat de linkerzijde tegenover de groeiende woede tegen de EU “niet mag toelaten dat het ongenoegen wordt ingepikt door extreemrechts, zoals gebeurde in andere delen van Europa.”

Naarmate de illusies in de EU als kracht van vooruitgang – illusies die zoals iedereen moet erkennen in zowat alle Europese landen bestonden –  doorprikt worden onder brede lagen van de bevolking, raakt de pro-EU linkerzijde de aansluiting bij de bevolking kwijt. Zoals vaak lopen de leiders van de arbeidersbeweging de gebeurtenissen achterna zonder voeling met de standpunten van de meer bewuste elementen van de eigen basis.

Is de EU internationalistisch?

In 1915 schreef Lenin dat de “Verenigde Staten van Europa onder het kapitalisme ofwel onmogelijk zijn ofwel reactionair zullen zijn.” De basisredenering was dat belangenconflicten tussen de dominante nationale kapitalistische klassen in Europa niet zomaar kunnen overstegen worden. Dit blijft tot op vandaag het geval, ook voor het kapitalistische Europese project.

In de huidige crisis hebben nationale spanningen de mogelijkheid van een oprecht verenigd Europees antwoord op de centrale uitdagingen van het continent, zoals de schuldencrisis of de vluchtelingencrisis, onmogelijk gemaakt. Nationale spanningen en de weigering van een deel van de nationale kapitalisten om de lasten van de problemen van anderen te delen, zijn de redenen waarom voorstellen als die van de ‘mutualisering’ van schulden of ‘eurobonds’ geen kans maken.

De EU en de eurozone vertegenwoordigen natuurlijk een vorm van internationale integratie en samenwerking tussen nationale kapitalistische klassen en dit is vrij ver doorgetrokken. Maar de crisis en de “centrifugale” tendensen die hiermee gepaard gingen, tonen de beperkingen van de natiestaat en de botsende nationale kapitalistische belangen die nog steeds bestaan. Ze tonen aan dat het huidige niveau van samenwerking en integratie, waaronder de euro als gemeenschappelijke munt, niet op permanente basis mogelijk is.

De kunstmatige veronderstelling dat de EU en steun ervoor op de een of andere wijze ‘internationalistisch’ zou zijn, wordt onderuit gehaald door de praktische ervaringen. Het klopt dat nationale spanningen en tegenstellingen onder het kapitalisme een obstakel vormen voor echte Europese eenheid, maar het klopt evenzeer dat zelfs beperkte allianties en samenwerkingsverbanden tussen kapitalistische staten nooit op gelijke basis gevormd worden.

De Europese Unie is net als andere internationale kapitalistische allianties niet zozeer een ‘samenwerkingsverband’ maar wel een geïnstitutionaliseerde onderwerping van de zwakken aan de sterken. Het doel is niet om de economie en de levensstandaard van landen in de periferie op te trekken tot het niveau in de centrale Europese machten zoals Duitsland, Frankrijk of Groot-Brittannië. De EU en de eurozone zorgen voor het omgekeerde.

Vanuit economisch standpunt werd de afbraak van de industrie in de Europese periferie gepromoot en versneld. Hierdoor werd een stabiele lokale markt zonder concurrentie of obstakels gecreëerd voor Duitsland en andere centrale Europese landen. De kloof tussen de sterkte van de Duitse economie en de zwakte van de Spaanse, Portugese, Ierse of Griekse economie is door de invloed van de EU groter geworden in plaats van kleiner.

Vanuit politiek oogpunt werd de beslissingsmacht van de nationale regeringen sterk aan banden gelegd. Het besparingsbeleid wordt op bevel van de instellingen doorgevoerd met een effectieve controle op de begrotingen en de maatregelen. De maatregelen van de trojka hebben dit nog verergerd. Commentatoren hebben het niveau van politieke autonomie van de Griekse regering tegenover de Europese machten vergeleken met dat van een Duitse deelstaat tegenover de federale regering. Deze situatie laat spanningen opbouwen en moet uiteindelijk leiden tot het uiteenvallen van de unie.

De EU is dus niet veel ‘internationalistischer’ tegenover de armste landen van Europa als het Britse Rijk dit destijds was tegenover de kolonies.

Socialisme en Europese eenheid

Voor socialisten is internationale samenwerking en eenheid objectief noodzakelijk. Enkel de integratie van de beschikbare middelen en industrie op Europees en wereldvlak, kan de voorwaarden creëren voor een democratische socialistische planning van de economie zodat een productie en levensstandaard op een hoger niveau mogelijk wordt.

Het kapitalisme is niet in staat om Europa te verenigen, de ervaring toont dit aan. Het bezit en de controle van de nationale kapitalistische elites – vertegenwoordigd door de grote banken en bedrijven, maar ook de regeringen – over de rijkdom van de wereld, en de concurrentie tussen hen, vormt historisch de basis voor nationale conflicten op het continent. Enkel met een democratisch socialistisch publiek bezit en controle op de belangrijkste productiemiddelen, is het mogelijk om de logica van nationale spanningen in Europa te doorbreken en echte eenheid te realiseren.

Het verzet van socialisten tegen de EU en de eurozone heeft niets gemeen met eng nationalisme. In de strijd tegen de kapitalistische EU moeten volgens ons ook de fundamenten gelegd worden voor een internationalistisch socialistisch Europees alternatief.

Op 14 november 2014, op het hoogtepunt van actief arbeidersverzet tegen het besparingsbeleid in zuidelijk Europa, was er een internationale dag van strijd met algemene stakingen en gedeeltelijke stakingen in Spanje, Portugal, Italië en België naast massale stakingen en betogingen in Griekenland, Frankrijk en elders. Deze eenheid in strijd tegen het Europese besparingsbeleid toont het potentieel voor een ander Europa dat ontstaat doorheen strijd en massabewegingen.

Een socialistische regering in één Europees land,op basis van de organisatie en mobilisatie van de arbeidersklasse rond een antibesparingsprogramma, zou een bron van inspiratie zijn doorheen het continent. Op deze basis breken met de EU en de euro zou het mogelijk maken om een oproep te doen voor een alternatieve socialistische Europese federatie, wat een stimulans zou zijn voor revolutionaire ontwikkelingen doorheen het continent.

Een vrijwillige socialistische federatie van Europa zou dan op de agenda staan. Dit is het toekomstbeeld waarmee de linkerzijde over het hele continent de strijd tegen de besparingen in alle landen kan voeren.

Het is onmogelijk om zo’n perspectief te verbinden met een campagne om in de EU te blijven “tot de internationale voorwaarden voldoende rijp zijn” of tot er meer socialistische regeringen verkozen zijn in andere landen om de krachtsverhouding naar links te duwen. Op abstract niveau kan dit een redelijk standpunt lijken. Maar deze positie houdt er geen rekening mee dat dit “uitstel” van de breuk zich niet beperkt tot tactiek om tijd te kopen. Ondertussen worden concrete asociale maatregelen opgelegd aan alle regeringen, waardoor deze de confrontatie met de arbeidersklasse moeten aangaan. Dit zien we ook in Griekenland met een Syriza-regering.

Reformistische leiders mogen dan nog de beste plannen opmaken, de internationale klassenstrijd laat geen ruimte voor stabiele en perfect gecoördineerde veranderingen die simultaan in alle landen tegelijk worden doorgevoerd via de reeds bestaande internationale instellingen van het kapitalisme. Als de EU niet desintegreert op kapitalistische basis, zal het nodig blijven dat een individuele socialistische regering of een groep van dergelijke regeringen een bres slaat waarlangs de Europese arbeidersklasse kan bouwen aan een nieuw internationaal alternatief.