Text Size

Nieuwe Michael Moore: “Where to Invade Next”

Het is ondertussen zes jaar geleden dat Michael Moore nog een nieuwe film uitbracht. Met ‘Where to Invade Next’ geeft hij aan nog steeds in topvorm te zijn. De film is wellicht wat minder belerend (op zich een goede zaak), maar het toont nog steeds waar Michael Moore voor staat: recht voor de raap met een vleugje verontwaardiging die op populistische wijze wordt gebracht.

 

moore

Recensie door Tim Heffernan

 

De titel van de documentaire kan laten uitschijnen dat het een kritiek op het buitenlandse beleid van de VS is. Dat is het slechts indirect. Het uitgangspunt is dat er na decennia van invasies zonder voordelen voor de gewone Amerikanen nood is aan een andere benadering.

En dus probeert Moore het Pentagon ervan te overtuigen dat de troepen aan rust toe zijn. In plaats daarvan trekt Moore zelf naar een reeks landen waar hij op zijn eentje een ‘inval’ doet. In plaats van olie en andere grondstoffen te koloniseren, zoekt hij naar de beste praktijken en maatregelen die vervolgens naar de VS kunnen ‘geëxporteerd’ worden.

Hij start in Italië waar hij met een koppel spreekt over hun vakantierechten. Moore is verbaasd dat ze daar acht weken (40 dagen) verlof per jaar hebben, in de VS is dat een pak minder: er is geen wettelijk recht op betaald verlof. Ook de werkgevers lijken tevreden te zijn met het betaald verlof: tevreden en uitgeruste werknemers zijn immers productiever. Het goede onderdeel van dit item is het (veel te korte) interview met een vakbondsmilitant die uitlegt dat geen van deze verworvenheden zomaar werd toegekend, er was steeds een strijd van de werkenden nodig om deze rechten af te dwingen en vervolgens om ze te verdedigen.

Het minder goede onderdeel – een vaak terugkerende zwakte in zijn films – is dat Moore onnodig overdrijft of de zaken verkeerd voorstelt om een punt te maken. Om even bij het Italiaanse verlof te blijven: de norm is daar niet dat er 40 dagen verlof zijn. Iedereen heeft 20 dagen betaald verlof en dan nog eens 12 wettelijke feestdagen. In een aantal sectoren dwongen de vakbonden extra dagen af.

In Frankrijk ontdekt Moore dat de schoolmaaltijden in het publiek onderwijs niet alleen gratis en gezond zijn, maar ook in de scholen zelf klaargemaakt worden. Hij probeert de kinderen te verleiden met een Big Mac en een cola, maar de kinderen moeten er niets van weten. Moore trekt naar Finland dat internationaal goed scoort inzake onderwijs. Hij stelt er vast dat kinderen er bijna geen huiswerk hebben en dat er geen standaardproeven voor alle kinderen zijn. De schoolgaande kinderen kloppen minder uren op school (777 lesuren per jaar tegenover 900 à 1.000 in de VS). In Slovenië is het hoger onderwijs gratis, er is geen inschrijvingsgeld en studieschulden komen er amper voor.

Moore vergelijkt de wijze waarop de Duitse geschiedenisboeken het naziverleden behandelen met de manier waarop in de VS de kwesties van slavernij en onderdrukking van zwarten verdoezeld worden. In IJsland is hij enthousiast over de wijze waarop de regering na de financiële crisis van 2008 een reeks bankiers veroordeelde tot gevangenisstraffen. Hij ziet er ook een progressieve benadering van vrouwenrechten. Hetzelfde geldt voor Tunesië. Hij brengt een progressieve behandeling van drugsverslaafden in Portugal in beeld, waar druggebruik gedecriminaliseerd is en de nadruk ligt op behandelingscentra. Het leidde tot een aanzienlijke daling van drugsgerelateerde misdaad.

In de film brengt Moore verschillende goede punten, maar hij heeft de neiging om andere landen en hun beleid wel heel rooskleurig en geromantiseerd voor te stellen. Dit blijkt uit de interviews met politici, bedrijfsleiders, academici of het brede publiek. Hetzelfde geldt overigens voor de mythologische benadering van wat hij de ‘Amerikaanse idealen’ noemt.

Zo stelt hij dat de Italiaanse vakantieregeling verder bouwt op wat in de VS begon met de strijd voor de achturendag in de jaren 1880. “Dit waren geen Europese ideeën,” stelt Moore, “het waren de onze.” Het is nuttig om verworvenheden van de werkenden te koppelen aan specifieke strijdbewegingen, maar het is verkeerd om dit voor te stellen als een “ideaal” dat uniek is voor één land.

Moore blijft in de illusie verkeren dat het naoorlogse sociaaldemocratische welvaartsmodel van verschillende Europese landen – een model dat overigens onder vuur ligt door neoliberale besparingsregeringen – zomaar naar de VS vandaag kan overgebracht worden. Onder de voorwaarden van het kapitalisme vandaag is dat niet mogelijk. Maar ondanks deze elementen van kritiek, is de film echt de moeite waard. De linkse, grappige en populistische boodschap zal velen aanspreken.