|
De treinramp in Buizingen (België) leidt tot een bredere maatschappelijke
discussie over de veiligheid op het Belgische spoorwegnet. Daaraan
gekoppeld stelt de discussie zich over wat de dienstverlening van het
spoor moet inhouden. De afgelopen jaren werd het bestuur opgesplitst en
werd vooral geïnvesteerd in prestigeprojecten. De
liberaliseringspolitiek wordt verder gezet met het filialiseren van het
goederentransport.
Artikel op basis van een discussie met spoorwegarbeiders, overgenomen vanop libreparcours.blogspot.com.
Dramatische ramp
Op maandagochtend 15 februari reden twee reizigerstreinen op elkaar in.
De balans staat op 18 doden en 171 gewonden, waarvan minstens 11
ernstig. Het drama leidde tot heel wat medeleven met familie en
vrienden van de dodelijke slachtoffers (zowel reizigers als personeel),
de gewonden en ook de collega’s van getroffen werkzetels (Leuven,
Braine-le-Comte, Luik en Brussel Zuid).
Onderzoek moet nog uitmaken wat de exacte oorzaak was. Toch
wordt al druk gespeculeerd. Velen denken aan een menselijke fout. Eén
van de machinisten zou door een rood sein gereden zijn. Ronduit
degoutant dat men in de pers systematisch het woord “negeren” gebruikt,
een actief werkwoord. Los van de ware toedracht is het duidelijk dat
toename van werkdruk en besparen op onderhoud van materieel en
installaties de veiligheid niet ten goede zal komen.
Al vroeg in de ochtend erop legden de eerste bestuurders het
werk neer, tegen de middag staakten de meeste depots in Wallonië en
Brussel. Ook Leuven nam het voortouw. Een machinist uit Leuven kwam om
bij de treinbotsing. In de namiddag en avond breidde de spontane
staking zich nog verder uit. De directie deed het af als een louter
emotionele reactie. Het zit veel dieper. Voor de derde keer in 9
maanden kregen we een drama te verwerken. Op 23 mei 2009 verloor een
treinbegeleider beide benen toen hij in Dinant onder een vertrekkende
trein belandde. Al meer dan 15 jaar eist het personeel een veilige
vertrekprocedure. De huidige is maar veilig als reizigers ze kennen,
begrijpen en respecteren. Daar mag onze en hun veiligheid niet van
afhangen. Ondanks de belofte van de directie om het vertrek veiliger te
maken is er tot op vandaag nog niets veranderd. Op 19 november 2009
ontspoorde een reizigerstrein bij het binnenrijden van Mons. Een
treinbegeleidster kwam daarbij om. De directie mag haar beide handen
kussen dat het de laatste trein van de dag was met weinig reizigers en
geen trein in volle spits.
Werkdruk
De frustratie bij o.a. het rijdend personeel is groot. Jaar na jaar
drijft de directie de werkdruk op. Telkens wordt de wijziging van de
dienstregeling aangegrepen om prestaties langer te maken en voller te
steken. Het is voor machinisten belangrijk om altijd scherp te staan.
Keertijden tussen twee treinen zijn beperkt tot het uiterste minimum.
Machinisten rijden zowat non-stop. In combinatie met de onmenselijke
uren (bv starten om 02.40) en flexibiliteit is dit nefast voor de
concentratie en dus de veiligheid.
De terechte aanklacht van een Leuvense bestuurder in Ter Zake
dat een toiletbezoek, eten of het strekken van de benen vaak vertraging
betekent, werd door spoorbaas Descheemaecker afgewimpeld als “emoties
van het moment”. Toen Descheemaecker op Radio 1 geconfronteerd werd met
de kwestie van de werkdruk, ontkende hij doodleuk dat deze toenam. We
zouden wel “verstandiger en flexibeler moeten werken”. Een dag na de
ramp heeft hij het lef nog meer flexibiliteit te eisen! Tot drie keer
per jaar zei hij de werkdagen en -uren te willen wijzigen. In de
herstructeringsplannen n.a.v. BCargo dringt de directie zelfs aan op
vijf keer. Dit betekent om de tien weken het arbeidsregime totaal
omgooien.
Veiligheid personeel en reizigers bedreigd
Na de ramp in Pécrot in maart 2001 werd opnieuw beloofd een
veiligheidssysteem in te bouwen dat seinoverschrijdingen onmogelijk zou
maken. Het zou het Europese systeem worden dat sinds 1999 bestond (ETCS).
Enkel de HST-lijnen werden ermee uitgerust. Ongeveer een kwart van de
lijnen werd voorzien van TBL1+, een tussenstap naar ETCS.
Dat was een verbetering op de oude situatie maar niet zo
waterdicht als ETCS. Vreemd genoeg komt bij TBL1+ een noodremming maar
tot stand nadat een rood sein wordt voorbijgereden en niet ervoor. Van
de oude treinen is maar 1% aangepast aan TBL1+. Op de nieuwe is het
standaard. De directie schuift de zwarte piet door naar Europa.
Nederland en Frankrijk voerden een eigen systeem in na zware
treinrampen in respectievelijk 1962 en 1991. Het kan dus. In België
volstaat één ramp blijkbaar niet. Bovendien is het wat bizar om
beschuldigend naar Europa te verwijzen als het in de buurlanden wel
mogelijk is om een degelijk veiligheidssysteem in te voeren.
De noodzaak aan een beter veiligheidssysteem hangt samen met
het opdrijven van de hoeveelheid verkeer over het spoor en de
toegenomen werkdruk.
Wel geld voor prestigeprojecten, niet voor veiligheid
De NMBS werd de afgelopen jaren opgesplitst in drie bedrijven: het
vervoerbedrijf NMBS, de infrastructuurbeheerder Infrabel en een holding
met operationele bevoegdheden als personeelsbeleid, juridische zaken,
financiën en coördinatie. De holding werd eigenaar van de stations en
parkings. Er werden topmanagers aangetrokken voor de drie onderdelen:
Jannie Haek (ex-kabinetschef van Vande Lanotte, SP.a), Luc Lallemand
(ex-kabinetsmedewerker van Daerden, PS) en Descheemaecker, voorheen
topmanager bij ISS. Samen met de splitsing ging het aantal
personeelsleden naar beneden: van de 42.000 in 2004 tot ongeveer 38.000
vandaag en dat ondanks een toename van het vervoer.
Onder druk van de liberalisering van het spoorwegverkeer wordt
van het personeel bij het goederentransport en ook steeds meer bij het
reizigersvervoer steeds meer flexibiliteit verwacht. Met minder
personeel meer transport verrichten, is het doel van de verschillende
directies die op deze manier winst willen boeken. De NMBS-site meldt
trots dat in 2007 (de laatste gegevens op deze site) met de groep een
nettowinst van 12,9 miljoen euro werd geboekt.
Als er de afgelopen jaren al werd geïnvesteerd, dan was dit
niet zozeer in veiligheid. Wel in prestigeprojecten als de TGV-lijn of
de erg dure nieuwe stations in onder meer Luik-Guillemins, goed voor
een half miljard euro. Er was wel geld voor een grootschalig project
dat vooral de bouwbedrijven ten goede kwam, maar te weinig voor de
veiligheid van personeel en reizigers. Ook dit kadert in het
liberaliseringsbeleid waarbij er enkel aandacht is voor reizigers met
meer middelen (zakenlui) en het prestige van de spoorwegen, maar niet
voor de dienstverlening en de veiligheid. Het gebrek aan investeringen
in materieel en personeel zorgt voor steeds meer mankementen en
bijhorende vertragingen.
Wiens verantwoordelijkheid?
De directie ontkent iedere verantwoordelijkheid en beweert te
investeren in veiligheid. De huidige top beweert: “Zodra we de leiding
hadden over het spoor, hebben we onmiddellijk werk gemaakt van een
eigen veiligheidssysteem.” Hun voorganger, Karel Vinck, is sinds 2005
overigens Europees coördinator voor de uitbouw van een
veiligheidssysteem. Om de eigen handen beter in onschuld te kunnen
wassen, is het personeel gevraagd om niet te reageren. Als een
treinbestuurder wel reageerde, werd dit afgedaan als een “emotionele
reactie”.
Tot nu toe bleef het antwoord van de directie altijd beperkt
tot mooie woorden na een ramp. Sinds het ongeval in mei 2009 is er
niets gebeurd om het vertreksysteem veiliger te maken, toen werden ook
daar beloften rond gedaan. Deze directie reageert enkel met beloften
indien dit nodig is voor haar imago. De enigen die systematisch wezen
op het probleem van de veiligheid, waren de vakbonden. Die zouden nu
het ontslag van de directie kunnen eisen en waarom niet meteen ook van
de politieke verantwoordelijken indien deze blijven meestappen in de
liberaliseringslogica?
Voor degelijk openbaar vervoer
De spontane acties van de afgelopen dagen zetten druk op de
vakbondsleiding. Dat moet worden gebruikt om de verdere afbouw van het
goederenverkeer tegen te houden alsook om de dienstverlening en
arbeidsvoorwaarden te verdedigen. De verslagenheid na deze ramp is
groot, zowel bij personeel als bij reizigers. Dat moet als basis dienen
voor eengemaakt verzet tegen de verdere afbouw van de dienstverlening
en de veiligheid.
De discussie over openbaar vervoer moet kaderen in een algemene
discussie over transport en mobiliteit. Het tijdelijk afsluiten van de
lijn Brussel-Bergen zal het autoverkeer op de snelweg doen toenemen,
dit is op een snelweg die algemeen bekend staat als bijzonder
gevaarlijk door een totaal gebrek aan onderhoud. Dat veroorzaakt heel
wat ongevallen. Ook op het vlak van wegenonderhoud zien we dat
veiligheid vandaag geen prioriteit is voor de traditionele partijen.
Er is dringend nood aan meer en degelijk openbaar vervoer met
voldoende personeel en degelijk materieel om dit te realiseren. Van de
huidige directie en de regering moeten we zoiets niet verwachten. De
controle op een essentiële openbare dienst zoals vervoer moet in handen
komen van diegenen die er het beste zicht op hebben: het personeel en
de reizigers. Het aanbieden van een dienst aan de gemeenschap moet
daarbij centraal staan, wat betekent dat wordt gebroken met de logica
van dit systeem waarin enkel de winsten tellen.
|