|
Burgelijke partijen en politici kennen slechts één soort “gelijkheid”
voor werkenden: een neergaande spiraal waarbij betere lonen en
arbeidsvoorwaarden voor iedereen worden afgebouwd. Bij burgerlijke
politici en hun partijen – en reken daar gerust maar de
sociaal-democratie (SP.a/PS) en de Groenen (Groen!/Ecolo) bij – is de
blijvend slechte economische positie van vrouwen nauwelijks een
discussiepunt. Op vaste tijdstippen in het jaar wordt wel nog wat
lippendienst bewezen aan de noodzaak om de loonkloof af te bouwen. Maar
hier botsen we helemaal op een ander verschil: de burgerlijke politici
verdedigen de belangen van het patronaat dat slechts op één manier een
“oplossing” kan bedenken voor de loonkloof, namelijk om de werknemers
met hogere lonen te laten opdraaien voor de loonverhoging van
werknemers met lagere lonen. Het spreekt vanzelf dat LSP zich hiertegen
verzet.
Vrouwencommissie LSP
4. Echte gelijkheid op de arbeidsmarkt is enkel te verkrijgen door een consequent sociale politiek
Burgelijke partijen en politici kennen slechts één soort “gelijkheid”
voor werkenden: een neergaande spiraal waarbij betere lonen en
arbeidsvoorwaarden voor iedereen worden afgebouwd.
Bij burgerlijke politici en hun partijen – en reken daar gerust
maar de sociaal-democratie (SP.a/PS) en de Groenen (Groen!/Ecolo) bij –
is de blijvend slechte economische positie van vrouwen nauwelijks een
discussiepunt. Op vaste tijdstippen in het jaar (Nationale Vrouwendag
in Vlaanderen op 11/11, Internationale Vrouwendag, Equal Pay Day en
heel soms eens in verkiezingscampagnes) wordt wel nog wat lippendienst
bewezen aan de noodzaak om de loonkloof af te bouwen. Maar hier botsen
we helemaal op een ander verschil: de burgerlijke politici verdedigen
de belangen van het patronaat dat slechts op één manier een “oplossing”
kan bedenken voor de loonkloof, namelijk om de werknemers met hogere
lonen te laten opdraaien voor de loonverhoging van werknemers met
lagere lonen. Het spreekt vanzelf dat LSP/PSL zich hiertegen verzet.
Maar spreekt het wel vanzelf? Ook in “linkse” kringen wordt
vaak een burgerlijke opvatting van het feminisme gehuldigd (waarbij
mannen in het algemeen aan de schandpaal worden genageld, ongeacht hun
sociale positie). LSP/PSL plaats zich binnen het feminisme in de
stroming van het socialistisch feminisme (of feministisch socialisme).
Het socialistisch feminisme legt de voornaamste oorzaken van
vrouwenonderdrukking niet in biologische kenmerken, noch in de
“macho-mentaliteit”, maar verklaart die macho-mentaliteit juist uit de
sociale organisatie van mensen, uit het maatschappelijk systeem waarin
we leven. Het is de klassenverdeling binnen de samenleving, waarbij een
zeer kleine groep van kapitalisten leeft en floreert op de rug van de
werkende meerderheid, die maakt dat de slechte positie van vrouwen in
stand wordt gehouden om de simpele reden dat het winst oplevert (door
de gratis gezinsarbeid van vrouwen, door de lage lonen van vrouwen en
de druk die het zet op alle lonen,...) en verdeling zaait binnen die
kracht die in staat zou zijn die kapitalisten van hun positie te
verjagen: de arbeidersklasse.
LSP/PSL denkt niet dat fundamentele veranderingen kunnen
aangebracht worden in de positie en in de levensvoorwaarden van de
grote meerderheid van werkende vrouwen door zaken als positieve
discriminatie, quota’s op verkiezingslijsten en voor hogere functies en
andere maatregelen in de marge. De oorzaken van de loonkloof zijn
slechts ten dele verklaarbaar door botte discriminatie vanwege
werkgevers in zowel tewerkstelling, verloning als promotiekansen.
Strijd tegen slechte statuten op de arbeidsmarkt
Zoals het loonkloofrapport aantoont, is de loonkloof tussen mannen
en vrouwen voor een groot stuk samenlopend met de loonkloof tussen lage
en hoge lonen in het algemeen – en dus deels puur te wijten aan de
algemene kapitalistische loonwetten. “Vrouwensectoren” zijn vaak
sectoren waar veel met laagopgeleide arbeidskrachten wordt gewerkt
en/of waarvan de winsten (relatief) beperkt zijn. Om echt iets te doen
aan de loonkloof, zou in een aantal sectoren zoals bijvoorbeeld
kuisdiensten, de gezondheidsdienst of de sociale sector een
inhaaloperatie moeten gebeuren voor de lonen die stukken onder het
gemiddelde loon vallen.
Een hoger algemeen minimumloon, creatie van voltijdse jobs die
combineerbaar zijn met de zorg voor kinderen, afschaffing van allerlei
slechte statuten (o.a. dienstencheques, statuut onthaalmoeders,
niet-statutaire jobs in de openbare sector,...) en de omzetting ervan
in voltijdse jobs met een contract van onbepaalde duur, inperking van
de flexibiliteit tot wat maatschappelijk nuttig is,... zijn een greep
uit de maatregelen die nodig zijn om een begin te maken met het
afschaffen van de loonkloof.
De burgerlijke politici hebben het daar echter niet over, het
probleem is volgens hen immers niet dat de bazen in die sectoren te
lage lonen betalen (hoewel de meeste politici voor zo’n lonen nog hun
bed niet zouden uitkomen), maar dat vrouwen “foute keuzes” maken. Hun
“oplossing” bestaat er dan in vrouwen “beter in te lichten” over de
gevolgen van deeltijds werk, loopbaanonderbreking om bij de kinderen te
kunnen zijn, studiekeuze, enz. De oorzaak van het “glazen plafond” (de
ondervertegenwoordiging van vrouwen in kaderfuncties), maar ook van de
lagere pensioenen van vrouwen, ligt er volgens veel van hen in dat
“vrouwen nu eenmaal een grotere prioriteit leggen bij het gezin terwijl
mannen meer carrièregericht zijn”.
Maar “keuzes” worden gemaakt binnen welbepaalde omstandigheden.
Dat het vrouwen zijn die deeltijds gaan werken om kinderzorg en
betaalde arbeid te combineren, heeft uiteraard te maken met de
maatschappelijke visie op man-vrouw-rollenpatronen, maar ook wanneer
binnen het koppel die visie niet bestaat, lijkt het op een moment dat
de kosten door gezinsuitbreiding stijgen logischer dat diegene die het
minst verdient minder gaat werken. Over het algemeen, maar niet altijd,
is dat de vrouw. Op die manier wordt dit klassieke rollenpatroon steeds
opnieuw herbevestigd.
Uitgebreide rechten op ouderschapsverlof, met doorbetaling van het loon, voor moeders en vaders
Dit fenomeen blijft ook voortbestaan in die landen waar ook mannen
uitgebreide rechten hebben op ouderschapsverlof e.d. De enige manier
waarop dergelijke aanzetten tot verandering van rollenpatronen zou
kunnen werken, is door in de eerste plaats tijdens deze vormen van
ouderschapsverlof niet een aalmoes te geven, maar doorbetaling van het
volle loon.
Bovendien zou ouderschapsverlof voor beide ouders een verplicht
op te nemen verlof moeten zijn, de enige manier om te voorkomen dat
bazen hun werknemers chanteren om het niet op te nemen. Enkel op die
manier zou de traditioneel mannelijke meerverdiener zijn tijd beter
kunnen verdelen over werk en gezin zonder zijn gezin in financiële
moeilijkheden te storten. Dit is ook de enige manier waarop een
werkende moeder werk en gezin kan combineren zonder een flink stuk van
haar pensioen te verliezen. Voor de alleenstaande moeder is dit
noodzakelijk om niet in de armoede te verzeilen.
LSP/PSL wil een uitbreiding van het zwangerschapsverlof, zodat
vrouwelijke werknemers er niet toe worden aangezet zolang mogelijk voor
de bevalling te blijven werken om zoveel mogelijk dagen na de bevalling
over te houden. Zes maanden lijkt ons een minimum, gezien zeker de
eerste maanden zeer vermoeiend kunnen zijn. Ook voor vaders eisen we
een verplicht op te nemen bevallingsverlof van minimum drie maand na de
bevalling. Voor beide systemen eisen we doorbetaling van het volle
loon.
In ieder gezin met kinderen zijn er momenten waarop het
tijdelijk moeilijk gaat en er moeten dus mogelijkheden zijn voor het
opnemen van ouderschapsverlof – voor zowel de moeder als de vader -
indien dat nodig is. Ook voor die vormen van ouderschapsverlof
(voltijds of deeltijds) eisen we doorbetaling van het volle loon.
Gratis publieke kinderopvang van goede kwaliteit
Een ander element dat zeker meespeelt, is het gebrek aan betaalbare
en kwaliteitsvolle kinderopvang. Dat gebrek is zeker aanwezig voor wat
betreft kinderen in de voorschoolse leeftijd – in de meeste grotere
steden ga je je best op verschillende plaasten inschrijven vanaf het
moment dat je weet dat je zwanger bent. Maar ook met schoolgaande
kinderen is het niet evident om op de huidige ultra-flexibele
arbeidsmarkt met haar zeer hoge arbeidsritme een voltijdse job aan te
houden. Het is geen wonder dat nagenoeg alle werkende moeders in
enquêtes gewag maken van tijdsdruk en stress als de voornaamste
problemen waarmee ze geconfronteerd worden. <p< De “oplossing”
die uit bepaalde liberale kringen komt van 24-uurcrèches of alvast zeer
flexibele opvang – steevast gecombineerd met een zeer slecht statuut en
loon voor het personeel – kan enkel aanvaard worden als we als enige
sociale functie het geld verdienen zien en de andere dan financiële
belangen van het kind opzij schuiven. Weinig moeders zullen overtuigd
worden om meer uren buitenshuis te werken als dat betekent dat ze hun
kinderen ’s morgens om vijf uur uit hun bed moeten plukken om ze bij de
opvang af te zetten of ze daar om 23u. ’s avonds op te pikken. En
terecht!
Openbare diensten voor de opvang van de huishoudelijke taken
De belangrijkste conditie waarbinnen vrouwen “keuzes” maken, is die
van het bestaan van een klassenmaatschappij, waarbij een kleine
minderheid een zo groot deel van de maatschappelijke rijkdom opstrijkt
dat er voor de rest nog slechts wat kruimeltjes overblijven. Een deel
van de rijkdom die ze op zak steekt en waarmee ze lustig op de beurzen
speculeert, zou door de maatschappij gebruikt kunnen worden om de zorg-
en huishoudelijke taken van voornamelijk vrouwen lichter te maken door
diensten die hiervoor kunnen instaan en bovendien aan hun personeel een
degelijk inkomen en degelijke arbeidsvoorwaarden bieden.
Dat werkende vrouwen dergelijke diensten nodig hebben, wordt
meer dan overvloedig aangetoond door het succes van de dienstencheques.
De dienstencheques toejuichen als een “stap vooruit” voor werkende
vrouwen, doen we met LSP echter niet. Net als met onthaalmoeders wordt
met het systeem van de dienstencheques wel mogelijkheden gecreëerd voor
werkende vrouwen om de combinatie arbeid-gezin aan te kunnen, maar dan
wel met schandalig lage lonen en een schandalig arbeidsstatuut voor de
mensen die er werken. LSP vecht ervoor dat dergelijke sectoren openbare
diensten worden met vaste statutaire tewerkstelling – vandaag gaat het
eerder de omgekeerde kant op: overheidsdiensten worden geprivatiseerd.
Openbare diensten in de vorm van was- en strijkateliers,
uitbreiding van thuiskuisdiensten met voldoende aanbod voor alle
gezinnen die daar nood aan hebben, aanbod van verse en kwaliteitsvolle
maaltijden in de werkplaatsen, scholen en wijken, crèches en andere
onthaalstructuren voor kinderen van alle leeftijden, voor zieken,
zorgbehoevende bejaarden en mensen met een handicap,... zijn
maatregelen die het leven van brede lagen van vrouwen een flink stuk
zou verlichten. Het is echter een utopie te denken dat het patronaat
voldoende rijkdom naar de samenleving zou laten terugstromen om een
dergelijk programma uitgevoerd te krijgen.
Kindergeld ter hoogte van de reële kosten van een kind
Hetzelfde geldt voor het beleid rond kinderzorg. Kinderen vallen
vandaag bijna exclusief onder de verantwoordelijkheid van de ouders. De
overheid komt slechts tussen in die gevallen waarin aanklachten
gebeuren van verwaarlozing en mishandeling. En zelfs dan is ze niet in
staat die kinderen veiligheid te kunnen garanderen, wat bewezen wordt
door de lange wachtlijsten voor opvang waarmee kinderen in een
problematische opvoedingssituatie geconfronteerd worden. De diensten
die met deze situaties in aanraking komen, schreeuwen al jaren om meer
financiële middelen en meer personeel. De reactie van de
verantwoordelijke politici blijft echter beperkt tot vage beloftes,
herschikking van de middelen en eventueel nu en dan een aalmoes om de
openbare opinie te lijmen.
LSP pleit ervoor dat de samenleving kinderzorg opvat als een
verantwoordelijkheid van de samenleving en als een noodzakelijke
investering in de toekomst. Die zou ervoor moeten zorgen dat ieder kind
de kansen krijgt en over de middelen beschikt om zo volledig mogelijk
zijn/haar talenten te kunnen ontwikkelen. Een groot deel van de
gevallen van kinderverwaarlozing en –mishandeling hebben te maken met
een te grote druk op de gezinnen waarin ze leven, soms een te grote
werkdruk, soms de druk van bittere armoede, soms die van kinderen die
om verschillende redenen meer aandacht nodig hebben,... De overheid
laat dergelijke gezinnen vandaag in de steek.
Inperking van de flexibiliteit op de arbeidsmarkt tot wat maatschappelijk nuttig is
Een allereerste eis die een begin kan maken met de oplossing
hiervoor, is de eis voor kinderbijslag die reëel de kosten van de
opvoeding van een kind dekt, gecombineerd met een voldoende aanbod van
gratis en kwaliteitsvolle kinderopvang en onderwijs. Zo kunnen ook
gezinnen met lage tot gemiddelde inkomens hun kinderen bieden wat ze
nodig hebben.
Andere maatregelen moeten de werkdruk en de kwestie van de
dubbele dagtaak aanpakken. Een begin zou gemaakt kunnen worden met een
drastische arbeidsduurvermindering tot 32 uur per week, zonder
loonverlies en met bijkomende aanwervingen, samen met meer uitgebreide
rechten voor verschillende vormen van ouderschapsverlof om moeilijke
periodes binnen het gezin tot een goed einde te kunnen brengen. Een
inperking van de flexibiliteit tot wat maatschappelijk nodig en nuttig
is, zou ook al een deel van de druk van de schouders van werkende
ouders kunnen halen.
Invididualisering van de sociale zekerheids- en OCMW-uitkeringen
Een andere maatregel die nodig is om de armoede van veel ouders en
kinderen – en alle problemen die hiermee verbonden zijn - tegen te
gaan, is o.a. de individualisering van sociale zekerheids- en
OCMW-uitkeringen, gecombineerd met een fikse verhoging van de
uitkeringen. Vandaag verliezen langdurige werklozen die samenleven met
een partner met een inkomen al snel hun werkloosheidsuitkering, idem
voor samenwonende onvrijwillig deeltijds werkenden. Vooral vrouwelijke
werklozen worden hierdoor geraakt en komen dan in een situatie van
quasi volledige financiële afhankelijkheid van de partner terecht.
Ook koppels die van een OCMW-uitkering leven, worden niet
behandeld als individuen die recht hebben op maatschappelijke
ondersteuning. Deze politiek toont duidelijk aan dat de overheid
financiële afhankelijkheid van de partner geen probleem vindt,
integendeel: ze rekent erop om zo de sociale uitgaven van de staat zelf
te kunnen beperken.
Massaal programma van sociale woningbouw
Ook de huisvestingsproblematiek heeft een beperkende invloed op de
onafhankelijkheid van vrouwen. Onderzoeken tonen aan dat de hoge koop-
en huurprijzen op de privé-markt, gekoppeld aan een enorm tekort aan
sociale huisvesting en binnen het kader van gemiddeld lagere
vrouwenlonen, ertoe leiden dat het hebben van een mannelijke partner
voor vrouwen de beste strategie tegen armoede is. Met een vrouwenloon
of –uitkering dit soort hoge afbetalingen of huur ophoesten, leidt op
zijn minst tot een stevige inperking van de koopkracht en is – na de
lage lonen en uitkeringen – één van de belangrijkste redenen achter de
zeer hoge aantallen alleenstaande moeders die in armoede leven.
Het huisvestingsbeleid in België is altijd een beleid geweest
van stimulansen voor de aankoop van een woning, waarbij het leeuwendeel
van de middelen werd geinvesteerd in die lagen van de bevolking die het
minst ondersteuning nodig hebben. Veel gezinnen moeten een belangrijk
deel van hun inkomen investeren in huisvesting, voor gezinnen met een
laag tot gemiddeld inkomen betekent dit vaak dat ze in een slechte
woning of minstens één met beperkt comfort leven, zonder de
noodzakelijke bijkomende middelen om hieraan iets te kunnen verhelpen.
In geval van jobverlies riskeert een deel van deze gezinnen bovendien
ook hun huis te verliezen. De enige oplossing hiervoor is volgens LSP
een massaal programma van sociale woningbouw en stadsrenovatie, waarbij
speculatieve leegstand beantwoord moet worden door het aanslaan en het
renoveren van die gebouwen om er sociale woningen van te maken. Enkel
met een veel groter deel van de woningmarkt die ingenomen wordt door
sociale woningen – nu is dat in België een schamele 12% van de markt –
zullen ook de huur- en koopprijzen van gezinswoningen onder druk komen.
Hogere wettelijke uitkeringen
In dit stuk over de noodzaak aan een sociale politiek kan de
schrijnende situatie van grote groepen gepensioneerden niet ontbreken.
Terwijl België in de jaren ’60 en ’70 nog bekend stond als een land met
uitgebreide sociale voorzieningen – vaak werd het zelfs vernoemd als
het land met het “beste sociale zekerheidssysteem”, o.a. door het feit
dat voor werkloosheidsuitkeringen terecht geen tijdslimiet werd
ingebouwd – is het vandaag genoegzaam bekend dat in ons land zowat de
laagste pensioenen worden uitgekeerd in vergelijking met de andere
EU-landen.
De armoede van bejaarde mensen zou als een absoluut schandaal
moeten worden beschouwd in een land waar de grote bedrijven de laatste
20 jaar de ene na de andere recordwinst hebben geboekt. Niet minder dan
20% van de gepensioneerden leven op of onder de armoedegrens, in de
hoofdstad gaat loopt dit zelfs op tot 25%. Ook hier weer worden
vrouwelijke gepensioneerden buitenproportioneel getroffen, zeker sinds
de gelijkschakeling van het aantal carrièrejaren dat nodig is om een
volledig pensioen te genieten. Die gelijkschakeling ging en gaat totaal
voorbij aan de sociale functie die moeders vervullen in de opvoeding
van de kinderen en in het huishoudelijk werk, een functie waardoor veel
vrouwen (tijdelijk) deeltijds gaan werken of zich zelfs enige jaren
terugtrekken uit de arbeidsmarkt.
LSP vecht voor een minimumuitkering (werkloosheid, ziekte of
handicap, pensioen) van 1.500 euro/maand, een absoluut minimum om
relatief comfortabel te leven. Niemand zou bovendien verplicht mogen
worden – zij het door loopbaanvereisten of door de lage pensioenen – om
door te werken na de leeftijd van 60 jaar. In een heel pak sectoren is
60 jaar zelfs te hoog gemikt en moet een sectoraal bepaalde lagere
pensioenleeftijd worden aangenomen. In andere sectoren is 60 jaar
haalbaar mits aanpassingen in het werkritme, in de werklast
(bijvoorbeeld via het uitoefenen van een andere functie, uiteraard met
behoud van loon en ancienniteit) en eventueel in de werktijd. Daar
moeten voor individuele werknemers de mogelijkheid tot brugpensioen
bestaan.
Dat alles kost geld – meer dan 60% van de huidige
gepensioneerden beschikt over een pensioen onder 1.000 euro/maand –
maar die middelen zijn aanwezig indien de politieke wil bestaat om ze
te zoeken waar ze zich bevinden. Om een einde te maken aan de
belastingsverminderingen voor de rijkste lagen van de bevolking, aan de
verlagingen van de patronale bijdragen aan de sociale zekerheid, om
voor de werkende bevolking een groter deel van de door de werkende
bevolking geproduceerde rijkdom op te eisen.
De politieke ontwikkelingen van de laatste 20 à 30 jaar tonen
dat geen enkele in het parlement vertegenwoordigde partij hiertoe
bereid is – allen hebben ze de neoliberale logica aanvaard dat als je
de rijken maar rijk genoeg laat worden, die rijkdom wel naar beneden
zal druppelen. Nochtans tonen alle cijfers dat die neoliberale politiek
enkel ertoe heeft bijgdragen dat de kloof tussen arm en rijk nog enorm
is toegenomen, met enorme gevolgen voor de levensstandaard van grote
groepen werkenden en met buitenproportionele gevolgen voor de zwakste
groepen van de arbeidersklasse, o.a. vrouwen en migranten, maar ook
laaggeschoolden, jongeren en oudere werknemers,...
|