|
Politieke, sociale en ecologische gevolgen en taken van de arbeidersbeweging
De volgende tekst is een verklaring van het CWI en werd goedgekeurd op
het Internationaal Uitvoerend Bureau dat begin december bijeenkwam. Dat
orgaan is de internationale verkozen leiding van het CWI. Er waren een
70-tal vertegenwoordigers aanwezig vanop alle continenten. Deze
verklaring is de centrale politieke tekst vanop de bijeenkomst.
Verklaring van het CWI
Het centrale element voor de arbeiders en armen in de wereld is de
aanhoudende economische crisis van het wereldkapitalisme. Er is geen
eenvoudige of snelle uitweg voor het kapitalisme uit de ergste
economische moeilijkheden sinds de jaren 1930. De gevolgen van de
enorme financiële zeepbel, of zeepbellen, die het kapitalisme
schijnbaar in de economische stratosfeer leek te sturen – het nieuwe
“paradigma” – vormt vandaag een belangrijke hinderpaal voor een
blijvend economisch herstel. Het “herstel” zal erg beperkt zijn en van
korte duur. Op de internationale bijeenkomst van het CWI in december
2008 stelden we reeds dat de burgerij had geleerd van de Grote
Depressie in de jaren 1930 en er alles aan zou doen om een gelijkaardig
scenario vandaag te vermijden. Dat is effectief wat we de afgelopen
maanden hebben gezien. Er waren enorme reddingsoperaties om het
financiële systeem te redden. Deze operaties bedroegen samen tot 14
triljoen dollar, dat is evenveel als het bruto binnenlands product
(bbp) van de belangrijkste en machtigste economie ter wereld, de
Amerikaanse economie. Bovendien werd overgegaan tot methoden als
“quantitative easing” (bijdrukken van geld) en andere methoden om de
gevolgen van de neergang wat af te zwakken. Dit heeft evenwel geen
oplossing geboden voor de onderliggende problemen.
De wereldeconomische crisis vormt een nieuw tijdperk voor het
kapitalisme, de arbeidersklasse en de krachten van het CWI. Er waren
belangrijke strijdbewegingen van arbeiders en jongeren in een aantal
Europese landen. In Groot-Brittannië waren er stakingen en bezettingen
bij Lindsey, Linamar, Visteon, Vestas en bij het postpersoneel. Dat is
een belangrijke verandering in het land. In Ierland waren er stakingen
van de elektriciteitswerkers, de publieke sector, bij Coca Cola, de
dokwerkers en andere arbeiders. Dat toont aan hoe explosief de situatie
in dat land is geworden. In Frankrijk waren er “bossnappings”,
bezettingen en twee nationale stakingen. Ook in Griekenland waren er
algemene stakingen en jongerenbewegingen. Dat maakt de onderliggende
sfeer duidelijk. Samen met de jongerenbewegingen in Duitsland en
Oostenrijk toont dit aan dat de arbeiders en jongeren bereid zijn om te
strijden tegen de aanvallen van de heersende klasse.
De afwezigheid van een massaal socialistisch alternatief en de
soms conservatieve en laffe houding van de vakbondsleiding kan een
tijdlang vermijden dat strijdbewegingen echt tot ontwikkeling komen.
Maar de situatie waarin het wereldkapitalisme verkeert, zal leiden tot
nieuwe fasen in het conflict en tot verzet onder de arbeiders en
jongeren tegen de gevolgen van de crisis. Dit zal grotere kansen bieden
voor de arbeidersklasse en voor onze organisatie.
De historische analyse van het CWI de afgelopen 30 jaar dat het
kapitalisme in de greep was van “elementen van depressie” wordt nu
erkend door een aantal economen. De vraag staat onder druk om het
aandeel van de rijkdom die naar de arbeidersklasse gaat is afgenomen.
De winstgevendheid neemt af, zeker in de industrie. De mogelijkheden
voor winstgevende investeringen zijn hierdoor beperkt. Er werd een
uitweg gevonden voor deze problemen met een enorme uitbreiding van de
financiële sector en daarmee samen gaand van krediet. De maatregelen
van het neoliberalisme met financiële deregulering en privatiseringen
bevorderden dit proces. Dit werd nog bijkomend versterkt door de val
van het stalinisme en de ineenstorting van de geplande economieën
waardoor nieuwe markten en investeringsgebieden ontstonden. Dat was op
een beperkte schaal en zeker niet zo omvangrijk als door de
kapitalisten verwacht op het ogenblik van de val van de Berlijnse Muur.
De expansie van het kapitalisme ging echter gepaard met een
achteruitgang van de industrie in de geïndustrialiseerde landen, waar
heel wat bedrijven de deuren sloten om overgeplaatst te worden naar de
vroegere Stalinistische landen of de neokoloniale wereld.
Dit heeft niet geleid tot een substantiële groei van het
kapitalisme, zeker niet op het niveau van de structurele groei van
1950-75. De ineenstorting van de enige rivaal voor de hegemonie van het
wereldkapitalisme – het stalinisme en Rusland in het bijzonder – werd
gebruikt om het onderliggende probleem van stagnatie te verbergen. De
financiële sector kende een forse groei, de industrie niet. Het aantal
jobs in de Amerikaanse industrie is tijdens deze crisis al afgenomen
van het lage aantal van 17 miljoen tot een catastrofale 12 miljoen. De
protectionistische maatregelen die al werden aangekondigd, hebben de
vakbonden in de automobiel- en staalsector aangezet tot eisen van meer
maatregelen tegen de invoer van industriële goederen uit het
buitenland, in het bijzonder uit Azië. Er waren gelijkaardige
protectionistische gevoelens in Europa bij de problemen rond General
Motors. De huidige wereldcrisis heeft de onderliggende zwakte van het
wereldkapitalisme bloot gelegd. Die zwakte bestond al langere tijd, net
zoals de crisis die bestond in de stalinistische landen (zeker in
Oost-Duitsland) al langere tijd bestond vooraleer het leidde tot een
ineenstorting.
De financiële sector als levenslijn voor het wereldkapitalisme
werd bijna volledig neergehaald in deze crisis, ook al is het
onwaarschijnlijk dat het wereldkapitalisme zonder een kredietsysteem
zou kunnen bestaan. Maar deze sector wordt nu gezien als “sociaal
onnuttig” terwijl de industriële sector wordt gezien als nuttig. Dat
stelde alvast een Britse industrieel, Adair Turner. In de werkelijkheid
wordt het kapitalisme op zich steeds minder gezien als “sociaal
nuttig”. De arbeidersklasse en in het bijzonder de werklozen en armen,
de slachtoffers van dit systeem, hebben een steeds minder positief
beeld van het systeem. Barry Eikengreen en Kevin O’Rourke, twee
economen die de Grote Depressie van de jaren 1930 vergeleken met de
“Grote Recessie” van vandaag, kwamen tot de conclusie dat de huidige
economische situatie heel wat gelijkenissen vertoont met de
gebeurtenissen tussen 1929 en 1933.
In de Amerikaanse economie zijn er op twee jaar tijd acht
miljoen jobs verloren gegaan. De herstelmaatregelen van Obama hebben
een bescheiden herstel van een miljoen nieuwe jobs opgeleverd, maar dat
volstaat niet om het volledige jobverlies op te vangen. In
Groot-Brittannië is de regering-Brown overgegaan tot het bijdrukken van
geld (quantitative easing), nu al voor een waarde van 200 miljard pond.
Delen van de burgerij zijn in paniek omdat dit geen resultaat oplevert.
Ze eisen dat de regering nog eens minstens 25 miljard pond uitgeeft om
de Britse economie uit haar “Bermuda driehoek” weg te trekken. Dat
wordt algemeen als een grens gezien, de “nucleaire optie”, de laatste
wanhopige poging om de Britse economie te redden. Maar het is niet
zeker dat dit resultaat zal opleveren. Het alternatief van een
mogelijke Tory-regering onder leiding van Cameron – waarbij het zwaard
wordt opgenomen om te snijden in de publieke uitgaven en om het
begrotingstekort aan te pakken – zal iedere kans op herstel de kop
indrukken. Bovendien kan het leiden tot de grootste sociale onrust in
Groot-Brittannië sinds de periode voor de algemene staking van 1926.
Het wereldkapitalisme heeft enorme verliezen van de private
sector, de banken en de financiële sector overgedragen op de schouders
van de staat. Dat leidt tot verzet van de klasse en eisen om de
“banksters” (bankiers die gangsters zijn) te bestraffen. Hun hoge
levensstandaard en toplonen hebben de huidige economische crisis
versterkt en dat zet het leven van miljoenen arbeiders onder druk. In
tegenstelling tot de Amerikaanse bankencrisis van de jaren 1980, toen
een duizendtal bankiers voor de rechtbank moesten verschijnen en zelfs
gevangenisstraffen kregen, wordt nu niet opgetreden tegen de bankiers.
Zelfs twee verantwoordelijken van Bear Stearns gingen vrijuit. De
situatie wordt nog moeilijker nu blijkt dat de enorme middelen die door
de regeringen aan de banken werden gegeven niet worden gebruikt om
krediet te geven aan de industrie, de kleine bedrijven of kleine
banken. In de VS alleen zijn er meer dan 100 kleine banken over de kop
gegaan. De middelen werden door de banksters aangewend om de eigen
balans in evenwicht te krijgen, opnieuw enorme bonussen aan zichzelf
uit te betalen (er zullen slechts 117 bankiers worden geraakt door de
eis van Obama om de bonussen te beperken) en om een nieuwe orgie van
speculatie en financiële zeepbellen op te zetten in de ”carry trade”.
Dit is een poging om terug te keren naar de risicovolle beleggingen die
mee aan de basis lagen van de financiële ineenstorting.
Dubbele dip
De opeenstapeling van risicovolle beleggingen kan, zoals Nouriel
Roubini reeds aangaf, leiden tot een grotere financiële crisis dan
diegene voor de huidige economische ineenstorting. Een aantal
burgerlijke economen zijn het eens met het CWI dat een vorm van dubbele
dip waarschijnlijk wordt, een “L”, “W” of “Saxofoon” vorm. Sommigen
hebben de situatie vandaag vergeleken met “bungeejumpen”. De economie
valt van een grote rots, de activiteit blijft een tijdlang naar beneden
gaan. Vervolgens komt er een terugslag waarbij er tijdelijk opnieuw
naar boven wordt gegaan. Die terugslag ziet er goed uit en de economen
kunnen vasthouden aan hun rechtlijnige denken. Maar de economie keert
nooit terug naar het niveau van waar het is vertrokken, het blijft aan
een slappe koord vasthangen. In de plaats van de “groene scheuten”, zal
het “groene onkruid” van de vorige periode dominant blijven en zal dat
een hinderpaal vormen om tot een echte groei te komen. Ondanks het feit
dat de wereldregeringen de financiële sector op de spoeddiensten hebben
ondergebracht, is de patiënt nog lang niet toe aan enig echt “herstel”.
Er is bijvoorbeeld een grote accumulatie van credit default swaps
(CDS) bij de banken. Tegelijk is de Amerikaanse consument – de markt
van de laatste toevlucht en nog steeds de grootste ter wereld – bezig
om opnieuw te sparen voor een waarde van gemiddeld 4% van het bbp. De
consument wordt aangezet om te investeren in “risicovolle beleggingen”
wat kan leiden tot een nieuwe zeepbel die de sociale gevolgen van de
crisis enkel nog dieper zal maken.
Op dit ogenblik lijken de Amerikaanse en Europese economie
technisch gezien uit de recessie te komen. Maar zoals de Financial
Times het stelde, blijft het aanvoelen als een “recessie”. De
aandelenprijzen zijn gestegen, net als de olieprijs. Er is een
zoektocht naar veilige beleggingen en kwaliteitsvolle investeringen in
goud en grondstoffen. Er was een zeker herstel in de “BRIC”-landen, in
het bijzonder in Brazilië en China was er een belangrijke groei. Een
versterking van de Braziliaanse munt, de real, heeft de regering van
Lula ertoe aangezet om de toevoer van speculatief kapitaal te belasten.
Het Chinese regime heeft een belangrijke overheidssector en was in
staat om de meest succesvolle stimulusmaatregelen te nemen, wat heeft
geleid tot een belangrijke groei (of althans beweerde groei). Het
regime heeft bovendien de staatssector versterkt, de private industrie
heeft amper een rol gespeeld in de groei. De Chinese financiële zeepbel
wordt wel groter en kan op ieder ogenblik tot uitbarsten komen, wat ook
enorme gevolgen zou hebben voor de “reële economie”.
De poging om de wereldeconomie terug op evenwicht te krijgen,
zal niet lukken. China, India en andere “groeilanden” zijn niet in
staat om de achteruitgang als gevolg van de ineenstorting van de
Amerikaanse consumptie en de grote schuldenberg op te vangen. Tegelijk
was er het idee bij het Internationaal Monetair Fonds om de Chinese
munt, de renminbi, samen met de dollar te laten dienen als reservemunt
op wereldvlak. Ook dat idee zal niet stand houden. De Renminbi kan een
ruilmiddel zijn tussen China en andere landen in Afrika,
Latijns-Amerika en Azië die het Chinese regime probeert mee te krijgen
in een handelsblok. Maar de Amerikaanse economie blijft de dominante en
sterkste economie van het wereldkapitalisme. Ondanks alle gevaren en
complicaties is de dollar nog steeds de wereldmunt. Tegen oktober 2009
kende de dollar haar laagste niveau sinds 14 maanden. Dat heeft de
concurrentiepositie van de Amerikaanse industrie versterkt, maar ook
die van de Chinese economie aangezien de renminbi verbonden is met de
dollar. Dit gebeurde ten koste van de rest van de wereld. De dollar kan
vandaag niet vervangen worden door één andere munt, maar het is
mogelijk dat er gekozen wordt voor een mand van munten waarbij de euro
en de renminbi een belangrijke rol spelen voor de reserves van
nationale regeringen. Er zal wel geen nieuw evenwicht tot stand komen
waarbij de gevolgen van de crisis worden tenietgedaan.
Dat is in het bijzonder het geval in Centraal en Oost-Europa
waar het verschil tussen een “recessie” en een “depressie” voer voor
academici is. Volgens de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling
zal de achteruitgang van het bbp in de “overgangslanden” gemiddeld 6,2%
bedragen in 2009. De achteruitgang varieert, met een sterke van 18,4%
in Litouwen, 16% in Letland, 14% in de Oekraïene en 13,2% in Estland.
Dat zijn “depressiecijfers” aldus Martin Wolf van de Financial Times.
In Slovenië is er een achteruitgang van 6,5%, in Slovakije van 6% en in
Tsjechië van 4,3%. Hongarije werd hard geraakt, niet alleen de
arbeiders maar ook de middenklasse ondervindt de gevolgen van de crisis
en bevindt zich in een catastrofale positie. Rusland kende na de
donkere dagen vlak na de val het stalinisme begin jaren 1990 een aantal
gloriedagen omwille van de sterk gestegen olieprijzen. Vandaag is er
een terugkeer naar de donkere dagen. Volledige steden, zoals Togliatti
– “mono-towns”, steden afhankelijk van de productie van één goed –
staan op de rand van het faillissement met de mogelijkheid van
tienduizenden ontslagen. Het bonapartistische regime van Medvedev en
Poetin, met een dunne laag “democratisch vernis”, zal de komende
periode onder druk staan van de crises.
Waar is de economisch productieve afzetmarkt voor het
wereldkapitalisme in haar chronische crisis? De regeringen worden
geconfronteerd met tekorten van 10% op hun begrotingen en gaan over tot
het snijden in jobs en diensten. De helft van de ziekenhuizen in
Letland zijn al gesloten. Dat is ook wat er in een niet al te verre
toekomst staat te gebeuren in andere landen, ook in de “rijke” wereld.
Gecombineerd met een enorme kloof tussen de inkomens – een
klassenpolarisatie – en de problemen van een gebrekkige vraag, biedt
dit weinig ruimte voor groei.
Het doel van de kapitalisten en uiteindelijk ook voor hun raden
van bestuur (hun regeringen) is niet om sociale behoeften in te vullen
maar om de winstgevendheid te verdedigen en te verbeteren. Deze periode
zal niet gekenmerkt worden door één crisis, maar door een reeks van
crisissen doorheen verschillende jaren. Dat zal gekenmerkt worden door
de onderliggende stagnatie van de productiekrachten, af en toe een zwak
“herstel”, maar mogelijk op een bepaald ogenblik ook een terugkeer van
inflatie, muntcrisissen en grote tekorten op de begrotingen. Dat kan
alleen worden recht gezet door een grotere aanval op de levensstandaard
van de arbeidersklasse.
De burgerij was van bij het begin geschokt door deze crisis, er
werd ten onrechte gedacht dat deze slechts een jaar zou duren. Nu
blijkt evenwel dat de crisis eerder begon in 2007 en daarvoor al in de
Amerikaanse immobiliënsector. De crisis heeft verschillende economieën
en industriële sectoren aan de rand van de afgrond gebracht. Er werd
niet alleen gevreesd voor de economische toekomst van dit systeem en de
enorme ineenstorting die dreigde, maar ook voor de sociale gevolgen en
de politieke weerslag met een massale revolte tegen dit systeem. Ze
waren niet langer in staat om te argumenteren dat het kapitalisme tot
vooruitgang zou leiden, miljoenen mensen voelen immers het falen van
dit systeem, waardoor er nu naar andere argumenten wordt gegrepen. De
voormalige conservatieve Britse premier Churchill wordt terug van onder
het stof gehaald met zijn uitspraak dat het kapitalisme “het slechtst
mogelijke economische systeem is, met uitzondering van alle
alternatieven.” Dit soort argumentatie wordt bovengehaald omdat het
stalinistische model heeft gefaald en omdat er geen sterk democratisch
socialistisch alternatief aan bod komt.
De economische crisis gaat samen met een immense ecologische
crisis. De klimaatcrisis is nauw verbonden met de economische crisis.
Het IPCC stelde dat de globale mediaan temperatuur sinds midden de 19e
eeuw met 0,8 graden is toegenomen. De reeds uitgestoten emissies zullen
de temperatuur nog eens 0,9 graden doen toenemen, samen is dat goed
voor 1,7 graden. De gevolgen van een temperatuursstijging van twee
graden zijn algemeen gekend: het verder afsmelten van de Noordpool, een
stijging van de zeespiegel, een uitbreiding van woestijnen, droogte en
watertekort,… De arbeiders en armen zullen het hardste worden
getroffen, zeker in de armste landen. De VN-klimaattop in Kopenhagen
bracht geen enkele oplossing. De nationale en kapitalistische belangen
gaan niet samen met het nemen van globale maatregelen en plannen van de
productie.
De strijd voor werk en onze levensstandaard, gaat niet in tegen
oplossingen voor het milieu. Integendeel, het fundamentele obstakel in
beide gevallen is het kapitalistische systeem, gesymboliseerd door de
macht van de olie- en energiereuzen maar ook de automobiel of
luchtvaartindustrie. Enkel de arbeidersklasse kan de samenleving
verandering om een democratisch socialistisch geplande economie te
vestigen, waarbij vervuilende industrieën worden omgevormd tot
milieuvriendelijke bedrijven. De interimperialistische tegenstellingen
in de discussie rond het klimaat kunnen enkel worden overstegen door
een echte internationalistische en socialistische arbeidersbeweging die
opkomt voor het milieu.
Groeiend ongenoegen, meer openheid voor anti-kapitalistische standpunten
Er is een groeiend ongenoegen en openheid voor anti-kapitalistische
gevoelens. De BBC ondernam een peiling waaruit bleek dat er een enorme
desillusie is tegenover de vrije markt. De val van de Sovjetunie wordt
vandaag helemaal anders gezien dan in 1989. “Een meerderheid in Egypte,
Rusland en de Oekraïne stelt dat de desintegratie [van de Sovjetunie]
een slechte zaak was”. Bovendien: “Moet je eraan toevoegen dat in
Brazilië, Indonesië en Frankrijk een meerderheid van de bevolking wil
dat de regeringen de centrale industrieën moet controleren.” Het feit
dat dit nog niet heeft geleid tot een andere politieke positionering
van de massa’s met een heropleving van socialistische standpunten is
het resultaat van verschillende factoren. Enerzijds was er bij het
begin van de crisis de hoop dat deze crisis slechts een tijdelijk
fenomeen zou zijn en dat er hierna een groei zou komen waarbij de
situatie van voor de crisis opnieuw zou worden hersteld. Tegelijk waren
er gen massale arbeiderspartijen die opkwamen voor een “socialistisch”
antwoord in de brede zin, zoals de meest bekwame leiders van de
sociaal-democratie dat wel konden op hun hoogtepunt in de aanloop naar
de Eerste Wereldoorlog of in bij de reële hervormingen in de
groeiperiode van 1950-75.
Ook in de jaren 1930 waren de directe politieke gevolgen anders
dan wat we de afgelopen 18 tot 24 maanden hebben gezien. De crisis van
1929 leidde tot verlamming van de arbeidersklasse op syndicaal vlak,
zeker in de VS. Maar zelfs daar was er een politieke radicalisering met
een groei van linkse partijen als de Communistische Partij. Dat
gebeurde zowel onmiddellijk na de crash van 1929 als doorheen de jaren
1930. De jaren 1930 waren een periode van revolutie en contrarevolutie
met een radicalisering en zelfs een revolutionaire opmars, bijvoorbeeld
in Spanje in 1931 wat leidde tot de gebeurtenissen van 1936-37 of in
Frankrijk waar de gevolgen van de crash pas enige tijd later merkbaar
werden. De fascisten konden in Duitsland en Spanje (Italië was voorheen
een prototype voor fascistische regimes) pas de macht grijpen na het
falen van de arbeidersklasse en haar leiding om de macht zelf over te
nemen.
Nieuwe linkse partijen en allianties
Er is nog een ontwikkeling van een brede socialistische laag in de
ontwikkelde kapitalistische landen of in de ontwikkelingslanden, laat
staan in de voormalige stalinistische landen van Oost-Europa en de
voormalige Sovjetunie. Zelfs de bestaande nieuwe linkse organisaties –
Die Linke in Duitsland, Syriza in Griekenland en het voorheen
veelbelovende experiment van de P-Sol in Brazilië – ontwikkelen niet in
een consistente linkse richting. Hun leiders hebben geen duidelijk
beeld van een toekomstige socialistische samenleving. Zelfs de NPA in
Frankrijk - opgezet door trotskisten of ex-trotskisten van de
Mandel-tendens - heeft geen duidelijk anti-kapitalistisch programma
ontwikkeld en maakt geen verband tussen de explosieve strijd in
Frankrijk op dit ogenblik en de nood aan democratisch socialistische
verandering. In deze formaties is er een sterke tendens voor het idee
van coalitievorming. Dat is op zich een uitdrukking van het
onontwikkeld karakter van het bewustzijn van de massa’s en de leden die
aansluiten bij deze formaties. Dit standpunt zal ongetwijfeld
veranderen. De loop van de gebeurtenissen en het consistente werk van
onze krachten kan leiden tot een polarisering in deze partijen waarbij
we proberen om ze naar links te duwen.
In een aantal landen, zoals Groot-Brittannië en Griekenland, is
er het idee van het “minste kwaad” dat leeft onder een aanzienlijk deel
van de massa’s. In Groot-Brittannië is het de angst voor een terugkeer
van de Tories die veel arbeiders, daarin gesteund door rechtse
vakbondsleiders, doet overwegen om bij de verkiezingen ten alle prijze
te vermijden dat Cameron een regering kan vormen. In Griekenland was er
een enorme afkeer tegen de regering van de Nieuwe Democratie en dat
ging gepaard met de verwachting dat het sociaal-democratische Pasok
“beter” zou doen. Nochtans hebben vroegere Pasok-regeringen enkel
geleid tot ontgoochelingen. De hoop van een laag van arbeiders in een
Pasok-regering, zijn echter niet vergelijkbaar met de illusies in deze
partij en de sociale basis die ze had in de jaren 1970 en 1980. Syriza
heeft een aantal politieke zwaktes, maar blijft een belangrijke kracht
waaraan iedere ernstige marxistische kracht moet deelnemen. Tegelijk
zijn we erg flexibel in onze werking en de activiteiten die we
organiseren om ook in te spelen op andere kansen onder arbeiders en
jongeren.
Deze nieuwe formaties zijn geen eindstation, een aantal kunnen
mogelijk zelfs verdwijnen. Dat is een mogelijkheid voor P-Sol, dat van
start ging als de meest linkse kracht met een brede laag die uitkeek
naar deze partij als een mogelijk verzamelpunt voor linkse
revolutionairen. Onder de invloed van een leider die uit de voormalige
trotskistische Morenistische tendens voortkwam en diegenen die
overkwamen vanuit de PT, is het mogelijk dat de partij zelfs niet eens
zal opkomen bij de volgende presidentsverkiezingen en dat ze zich zal
beperken tot “kritische” steun aan de Groene kandidaat. Indien deze
nieuwe formaties stagneren of verdwijnen (zoals de Rifondazione
Comunista in Italië of P-Sol) dan kan dit een meer ontwikkelde laag van
de arbeidersbeweging ontgoochelen. Maar het maakt geen einde aan de
noodzaak van linkse massakrachten, die noodzaak zit in de huidige
periode ingebakken. Het CWI heeft geen fetisj tegenover gelijk welke
politieke kracht. We proberen flexibel te zijn in onze werking en
activiteiten, maar we proberen vooral daar te zijn waar een laag van
arbeiders en jongeren actief is. We willen de nieuwe formaties niet
zomaar verlaten, tenzij ze niet langer een progressieve rol kunnen
spelen of totaal uitgehold zijn.
Marx benadrukte in de tweede helft van de 19de eeuw reeds dat
een echte beweging van de arbeidersklasse evenveel waard was als tien
programma’s. We moeten eenzelfde benadering hebben tegenover de taken
van de arbeidersbeweging in het bijzonder onder de meest ontwikkelde
lagen. Nieuwe partijen, zelfs indien ze slechts een schim vormen met
een relatief kleine actieve laag, kunnen onder de druk van de
gebeurtenissen snel worden opgevuld met een nieuwe frisse laag van
arbeiders en jongeren. Ze kunnen soms op een steun rekenen die niet
volledig tot uiting komt in relatief kalme periodes. Dit is nog meer
het geval met de vakbonden, die in heel wat landen door de groei van de
(tijdelijke) werkloosheid verzwakt zijn op het vlak van hun ledenaantal
en invloed. Doorheen belangrijke gebeurtenissen, en zo staan er heel
wat te gebeuren, kunnen de vakbonden snel aan impact winnen.
De ontwikkeling van een massale marxistische partij zal
onvermijdelijk worden voorafgegaan door voorposten in de vorm van
bredere formaties waarin marxisten samenwerken met anderen die nog niet
tot een uitgewerkt socialistisch, marxistisch standpunt zijn gekomen.
Zelfs daar waar het proces tot stilstand lijkt te zijn gekomen of waar
stappen achterut zijn gezet, zullen wij opkomen voor een verdere
ontwikkeling van deze formaties om linkse krachten te verzamelen en dan
vooral de meest strijdbare elementen van de arbeidersklasse. De
ervaring van bredere lagen van arbeiders in dergelijke formaties is van
onschatbare waarde en zelfs noodzakelijk om een breed socialistisch
bewustzijn te creëren. Een dergelijk bewustzijn kan worden versterkt
worden door deze nieuwe partijen, maar ook door de ervaringen van de
massa’s in strijd. Tegelijk moeten we deze taak combineren met de
opbouw en het consolideren van een marxistische kracht rond het
programma en de ideeën van het CWI. De mogelijkheden voor marxisten
zijn vandaag groter dan op gelijk welk ogenblik sinds midden jaren 1980.
Crisis zal overal in Europa toeslaan
In Europa is er geen enkel land dat de gevolgen van de crisis zal
kunnen ontlopen. In de machinekamer van Europa, Duitsland, is de
onderliggende economische situatie explosief. De industrie in Duitsland
is goed voor het grootste aandeel in het bbp van gelijk welke grote
ontwikkelde economie. Met 24% van het bbp is de industrie daar goed
voor een aandeel dat bijna dubbel zoveel is als de 13% in
Groot-Brittannië. In 2009 stevent de Duitse industrie voor het eerst
sinds 1945 af op een groot verlies. De industrie werd grotendeels in
stand gehouden door een toenemende export en onder meer verkoop aan
China. Pogingen van de regering om de industrie overeind te houden,
zouden goed zijn voor 1% van het bbp. Er zijn immers maatregelen zoals
het in dienst houden van “overbodige” arbeiders, waarbij de regering
een deel van het loon overneemt indien er minder wordt gewerkt. Dat
zorgt voor een grote druk op het overheidsbudget met een mogelijk
tekort van 100 miljard euro in 2010. Dat is 2,5 keer zoveel als de
vorige piek van 40 miljard euro tekort toen het land de kosten van de
Duitse hereniging moest dragen onder de CDU-regering van Kohl in 1996.
De belofte van Merkel om de belastingen te verlagen en tegelijk
grote besparingen in de uitgaven te vermijden, heeft geleid tot een
ongemakkelijke situatie in de nieuwe coalitie van CDU en FDP. De
voorloper van toekomstige moeilijkheden, splitsingen en zelfs de
mogelijkheid van een vervroegd aftreden van de coalitie bleek toen niet
alle parlementsleden van de meerderheid voor de regering stemden
waardoor Merkel slechts 11 stemmen op overschot had in het parlement.
Het Duitse kapitalisme, net als de kapitalisten in de rest van Europa,
moet overgaan tot een confrontatie met de arbeidersklasse om de hard
bevochten verworvenheden uit het verleden in te dijken. De
onvermijdelijke aanvallen op pensioenen en lonen – met pogingen om de
lonen van “nieuwkomers” op de arbeidersmarkt te beperken – samen met de
toenemende werkloosheid die de tendens heeft om permanent te worden,
zijn allemaal garanties op een enorme klassenpolarisering en een
intensere strijd tussen de klassen.
Net zoals dit met oorlogen het geval is, vechten ook de klassen
meer intensief over de verdeling van een de kleiner geworden taart.
Geen enkel land in Europa zal de komende maanden en jaren gespaard
blijven van een scherper klassenconflict. Dat werd gesymboliseerd door
de golf van bedrijfsbezettingen in Ierland, Groot-Brittannië en
Frankrijk, met ook de “bossnappings” en zelfs het dreigement om een
fabriek in Frankrijk op te blazen. Dit zal zich herhalen in andere
landen waar het patronaat probeert om fabrieken te sluiten. Bij
bezettingen wordt het “heilige” controlerecht van de directie op het
bedrijf in vraag gesteld. Het controlerecht van de directies lijkt
volgens Sarkozy steeds meer op de dictatuur van het kapitaal. In de
Europese situatie en in ieder land zien we niet alleen belangrijke
conflicten, maar zullen er ook algemene stakingen plaatsvinden –
mogelijk eerst in de publieke sector, maar in de komende periode zullen
ook steeds meer arbeiders uit de private sector in actie komen. Dat is
tegen de achtergrond van een numerieke verzwakking van de vakbonden in
heel wat landen. In Frankrijk is nog slechts 8% van de werknemers lid
van de vakbond. In Groot-Brittannië, Spanje, Portugal en wellicht zelfs
Italië zijn de vakbonden verzwakt.
In Groot-Brittannië ziet het er naar uit dat het conflict erg
intensief zal zijn nu de leiding van New Labour niet langer de “ster”
van het neoliberale firmament is, maar moet omgaan met een crisis
waarbij het enkel het Italië van Berlusconi moet laten voorgaan. In
Griekenland was er een enorme afkeer tegenover de rechtse regering van
de Nieuwe Democratie, wat heeft geleid tot een overwinning voor de
voorheen gediscrediteerde sociaal-democratische Pasok. Er dreigt een
enorme confrontatie in het land. De overheidsschuld bedraagt er meer
dan 100% van het bbp en de kredietrating van het land wordt naar
beneden herzien. Dat zal het moeilijk maken om obligaties aan de man te
brengen. Het bankroet is niet alleen een bedreiging voor bedrijven,
maar voor volledige landen. Eerder hebben we dat al in Argentinië
gezien. Maar er is nog een groot verschil tussen een geïsoleerd land
dat failliet is, en anderzijds een groep landen. Dat laatste zagen we
in de jaren 1930 en vandaag dreigt een gelijkaardige situatie plaats te
vinden in Oost-Europa en de neokoloniale wereld.
Ondanks de aanhoudende sterkte van de euro tegenover de dollar,
is de Europese burgerij er niet in geslaagd om geïntegreerd
rivaliserend blok te vormen tegenover dat van de VS. De euro kan met
haar huidige sterkte de dollar in de ogen kijken, maar het is tegelijk
ook een hindernis voor economisch hard getroffen landen als Ierland en
Italië die hun munt niet kunnen devalueren zoals vandaag in de VS wordt
gedaan. Deze methode om de gevolgen van de crisis wat te verzachten,
kan niet worden toegepast. De kapitalistische klassen in Europa wilden
een eenmaking en een unie om concurrentie aan de hand van het
devalueren van de munten te vermijden. De invoering van de euro maakte
dit onmogelijk, maar hierdoor moeten landen “interne devaluaties”
doorvoeren (het besparen op lonen, uitgaven,…). Als de crisis verder
verdiept en de moeilijkheden toenemen, dan is het mogelijk dat één of
twee landen uit de euro stappen. Dat zal geen oplossing bieden voor de
kapitalistische crisis, ook al kan het tijdelijk een verzachting
betekenen voor een nationale groep kapitalisten. Het zal uiteindelijk
vooral de interne en internationale spanningen doen toenemen.
Kapitalistische commentatoren zoals Philip Stephens van de
Financial Times verwijzen openlijk en wat provocatorisch naar Europa
als het “museum” dat niet in staat is om succesvol te concurreren met
de VS. Het goedkeuren van het verdrag van Lissabon met het tweede
referendum in Ierland en de handtekening van de Tsjechische president
wordt voorgesteld als een overwinning voor de Europese trein. Het komt
evenwel net op een ogenblik dat de zwaktes van het kapitalistische
Europese project duidelijk worden en dat die eenmaking uit elkaar kan
vallen. De Europese grondwet wil net zoals het eerdere Verdrag van Rome
het kapitalisme voor eeuwig declameren als het ultieme economische
model. Deze grondwet is gebaseerd op het neoliberale kapitalisme door
zich uit te spreken tegen staatsinterventies in de industrie of
nationalisaties, met een steun aan privatiseringen,… Het karakter van
dit document en van de Europese Commissie blijkt uit de “richtlijn” aan
de Britse regering om de winstgevende delen van de genationaliseerde
bankensector opnieuw te verkopen met het oog op de “concurrentie”. Een
gelijkaardige anti-arbeidersaanpak vinden we in tal van Europese
richtlijnen.
Internationale benadering
Wat er ook van de grondwet zal overblijven, net als alle
kapitalistische wetten is ook dit een stukje papier dat aan de kant kan
worden geschoven eens de arbeidersklasse haar oplossingen begint op te
leggen. Dat zagen we bij de acties bij Lindsey in Groot-Brittannië. Dat
was geen staking voor “Britse jobs voor Britse arbeiders”, zoals
ultralinkse groepen zoals de Britse SWP aangaven. Door de interventie
van bewuste socialisten, in het bijzonder van de Socialist Party, werd
het element van nationalisme dat in alle conflicten aanwezig kan zijn
(denk maar aan de strijd bij General Motors) beantwoord met een
duidelijke internationalistische klassenbenadering. Marxisten verzetten
zich tegen het inzetten van Europese richtlijnen om de arbeiders onder
het mom van “vrij verkeer van arbeid” een neerwaartse spiraal op te
leggen op het vlak van lonen en arbeidsomstandigheden. We staan voor
een verenigde klassenbenadering, waarbij de lonen en
arbeidsomstandigheden centraal staan. We verzetten ons tegen de
pogingen om van de bazen, soms bijgestaan door vakbondsleiders, om
delen van de arbeidersklasse tegen andere delen op te zetten: arbeiders
uit de private sector tegenover deze uit de publieke sector, jongeren
tegen ouderen of arbeiders van het ene land tegen die van andere
landen.
De realiteit van de kapitalistische pogingen tot het “verenigen
van Europa” is dat er tegelijk door de bazen wordt ingespeeld op
nationalisme, etnische tegenstellingen en racisme in het aloude beleid
van verdelen om te heersen. Die politiek is er enkel op gericht om de
eigen positie te versterken en de winsten op te drijven. De integratie
van de productiekrachten op wereldvlak en in het bijzonder in Europa
maakt een internationale benadering in strijdbewegingen noodzakelijk.
Dat is noodzakelijk bij de verdediging van verworvenheden uit het
verleden zoals pensioenen en uitkeringen en om in te gaan tegen de
groeiende dreiging van extreem-rechts. Het recente succes van
extreem-rechts, met de verkiezing van Griffin van de British National
Party bij de Europese verkiezingen, is een uitdrukking van de bocht
naar rechts, naar een pro-kapitalistische positie, van de leiders van
voormalige arbeidersorganisaties en zelfs van vakbondsleiders. Er is
een enorm vacuüm dat nog groter is geworden door het falen om een
levendig links alternatief op te zetten. De kloof tussen de
onderliggende objectieve situatie en het bewustzijn van de massa’s is
nog nooit zo groot geweest. Het succes van Die Linke in Duitsland,
althans op electoraal vlak, heeft in dat land een substantiële
doorbraak van extreem-rechts en neo-fascistische krachten op nationaal
vlak tegen gehouden. Het gevaar is echter niet verdwenen. In feite zijn
we dat extreem-rechts in het algemeen als eerste de vruchten kan
plukken van de groeiende afkeer als gevolg van de crisis.
Migratie is een belangrijk thema voor de linkerzijde en de
arbeidersbeweging in Europa. Er mag geen enkele toegeving worden gedaan
aan racisme of discriminatie op basis van etnische afkomst of
religieuze overtuiging. Anderzijds volstaat het in een periode van
massale werkloosheid – in Spanje loopt dit bijvoorbeeld op tot 20%
terwijl er een belangrijke migrantenbevolking is – niet om verzet tegen
racisme gewoon af te kondigen. Het wordt steeds belangrijker om
anti-racisme te verbinden met sociale eisen zoals jobs, huisvesting,
onderwijs, gezondheidszorg en de nood aan verenigde strijd. De
kapitalistische regeringen willen een hardere politiek voeren met
quota’s voor migratie. We verzetten ons tegen dergelijke maatregelen
die geen enkele oplossing bieden voor de problemen die aan de basis van
migratie liggen. Geen enkele kapitalistische maatregel zal de
hongerigen en armen – zeker in een tijdperk van massacommunicatie –
tegenhouden om hun onderdrukking en uitbuiting te ontvluchten en elders
een “beter leven” te zoeken. Migratie zal de problemen van de armen en
onderdrukten niet oplossen, slechts weinigen hebben de middelen om in
de geïndustrialiseerde landen te geraken. We moeten nadruk leggen op de
nood aan een algemene socialistische oplossing voor de problemen. En
dat gaat in tegen het behoud van het grootgrondbezit en het kapitalisme
in de neokoloniale wereld.
Einde van de wittebroodsweken van Obama
In de VS is er onvermijdelijk wat glans van de Obama-regering
verdwenen als gevolg van de economische crisis. Dat gaat samen met een
onwinbare oorlog in Afghanistan en een blijvende onoplosbare situatie
in het Midden-Oosten, aangevuld met het vooruitzicht van burgeroorlog
in Irak. Waar vlak na de verkiezingen 70% van de Amerikanen stelde het
beleid van Obama te steunen, is dat percentage vandaag afgenomen tot
zowat 50%. De economische crisis heeft de volledige VS geraakt, maar in
een aantal staten en steden wordt het niveau van een depressie bereikt.
Het is de dialectiek van de geschiedenis dat staten die in het verleden
economisch gezien vooraan stonden, vandaag het hardst geraakt worden
door de crisis. Californië, de vroegere “Gouden Staat”, kent massale
werkloosheid, besparingen op de lonen en uitkeringen van het
overheidspersoneel, duizenden daklozen die op straat of in hun auto
wonen,… Er slapen iedere nacht tot 100.000 mensen op straat in Los
Angeles. Californië is niet de enige staat die wordt geraakt. 10 staten
– samen goed voor een derde van de Amerikaanse bevolking – bevinden
zich in een zelfde situatie en hun aantal kan het komende jaar verder
toenemen.
Detroit is een voorbeeld van de crisis in de steden. In de
jaren 1950 kende “Motown” het hoogste mediaan inkomen en het grootste
aantal huiseigenaars van alle Amerikaanse steden. Na decennia van
verval van de industriële basis, vooral in de wereldberoemde
auto-industrie, staat de stad aan de rand van de afgrond. Vijftig jaar
geleden werd Detroit geroemd voor haar democratische maatregelen en was
het met twee miljoen inwoners de vierde stad van de VS. Vandaag blijven
er nog 900.000 inwoners over, een derde van de stad is gewoon verlaten
met onkruid dat woekert en stedelijke boerderijen die opduiken. In de
binnenstad staan er zelfs verlaten appartementen waarbij er bomen op
het dak groeien. Er is een werkloosheidsgraad van 29% en de crisis
heeft een enorme impact op grote delen van de middenklasse, zowel in
Detroit als in andere steden. Californië zou als onafhankelijk land de
achtste economie ter wereld vormen, maar is vandaag economisch gezien
failliet.
Zelfs wie nog werk heeft, wordt steeds meer afhankelijk van
voedselbonnen van de overheid. De gemiddelde arbeidsweek bedraagt nog
33 uur, het laagste ooit. Het aantal arbeiders dat deeltijds moet
werken omdat ze geen voltijds werk vinden, is het afgelopen jaar met
meer dan 50% toegenomen tot 8,8 miljoen mensen. De lonen en uitkeringen
zijn er op achteruitgegaan. De officiële werkloosheid bedraagt 10%, met
onvrijwillig deeltijds werk erbij loopt dat op tot meer dan 15%. De
Financial Times stelde dat 40% van de gezinnen die voedselbonnen van de
overheid gebruiken zelf over een inkomen uit arbeid beschikt, twee jaar
geleden was dat slechts 25%. Daarnaast was er een harde tegenaanval van
de Republikeinse rechterzijde en haar bondgenoten tegen de erg
gematigde hervorming van de gezondheidszorg die ervoor zou moeten
instaan dat een meerderheid van de bevolking (meer dan 90%) toegang zou
hebben tot gezondheidszorg.
Deze omstandigheden ondermijnen de basis van Obama. Zowat één
op de vijf jongeren en meer dan één op zeven Afro-Amerikanen zit zonder
werk. Een derde van de jonge zwarte mannen is werkloos. Zeven van de
tien staten met de hoogste werkloosheidspercentages stemde Democratisch
bij de presidentsverkiezingen. Bij een electorale test in Virginia
werden de Democraten verslagen door de Republikeinen. Dit zal niet
noodzakelijk leiden tot een nederlaag van Obama bij de verkiezingen van
2012. Roosevelt kende tijdens zijn eerste termijn na 1932 een periode
met werkloosheid van meer dan 15%, maar werd toch herverkozen in 1936.
Het succes van de regering-Obama zal afhangen van de mogelijkheid om
minstens deels de vraag naar werk te kunnen beantwoorden. Obama
beloofde, net zoals destijds met de New Deal, een massale toename van
door de overheid gesteunde maatregelen om werk te creëren. Maar die
voorstellen moeten dan nog door het parlement geraken en dat kan
problematisch blijken.
Zoals in andere landen is er een dringende nood aan een nieuwe
radicale massapartij. Een arbeider in Detroit die klaagde over de
ruines in zijn stad, stelde: “Arme mensen hebben niet de politieke
mogelijkheden om te lobbyen en om te bekomen wat ze nodig hebben, zoals
Wall Street dat doet.” Dat is een samenvatting van het dilemma waarmee
de Amerikaanse arbeidersklasse wordt geconfronteerd. De mogelijkheden
voor linkse socialisten in de VS zijn enorm als we de kansen grijpen
die zich stellen onder jongeren, arbeiders, Latino’s, Afro-Amerikanen,…
Irak en Afpak
De wereldrelaties na de machtsovername door Obama en het verdwijnen
van het gehate Bush-regime blijven onstabiel. De unipolaire positie van
Bush is verdwenen, Obama moest dat al erkennen voor de verkiezingen. De
VS blijft economisch de dominante macht op wereldvlak en behoudt haar
capaciteit om militair tussen te komen. Maar de enorme beperkingen van
die macht blijken erg scherp in Afpak (Afghanistan en Pakistan). De
regering van Obama besliste om Amerikaanse troepen terug te trekken uit
de Irakese steden, maar dat bracht geen vrede en stabiliteit voor de
bevolking. Het was een voorbereiding voor een nieuwe sectaire
burgeroorlog waarbij de Soennitische elite uit de regering van Maliki
werd gezet en bijgevolg zal overgaan tot verdere aanvallen op de
Sjiietische meerderheid. In Kirkuk en andere steden is een nieuw
sectair conflict mogelijk met een strijd over de controle van de olie
in de regio. Dit regime zal ook door de Sjiieten worden verworpen
omwille van de stroomonderbrekingen, massale werkloosheid en scherpe
toename van de inflatie. De Amerikaanse troepen zullen mogelijk snel
opnieuw in het conflict betrokken raken en het is duidelijk dat er geen
makkelijke uitweg uit het moeras is.
Afghanistan is nog erger. De VS-troepen zijn er al acht jaar
betrokken bij een oorlog, dat is dubbel zo lang als de Amerikaanse
deelname aan de Tweede Wereldoorlog. De situatie is onoplosbaar. De
huidige verantwoordelijke voor de Britse troepen stelde dat er mogelijk
een conflict van 30 tot 40 jaar zal zijn. Dat is onaanvaardbaar voor de
meerderheid van de Britse bevolking, in peilingen neemt de steun voor
een onmiddellijke terugtrekking van de Britse troepen uit Afghanistan
fors toe. De terugkeer van doodskisten met jonge Britse soldaten
versterkt dit enkel. Er is ook een belangrijke groei van
anti-oorlogsgevoelens in de VS. Het aantal Amerikaanse doden bevindt
zich nog niet op het niveau van Vietnam en er is vandaag een
professioneel leger in de plaats van verplichte legerdienst. Maar Obama
dreigt wel een “Vietnam-moment” te kennen met het inzetten van extra
Amerikaanse troepen in Afghanistan. Hij wordt geconfronteerd met het
zelfde dilemma als JF Kennedy begin jaren 1960 met betrekking tot
Vietnam, en na de moord op Kennedy Lyndon Johnson: ofwel verdergaan met
het conflict ofwel terugtrekken. Deze situatie bevestigt wat we
destijds al stelden: Bush zou er na 11 september 2001 niet in slagen om
het “Vietnam-syndroom” te doen verdwijnen onder de Amerikaanse
bevolking.
De eis van 40.000 extra troepen van de Amerikaanse commandant
generaal McChrystal dreigt het conflict verder te doen escaleren naar
het niveau van Vietnam. Zelfs indien Obama opteert voor een
“McChrystal-light” versie met bijvoorbeeld 30.000 extra troepen of
minder, dan nog zal dat samen gaan met enorm verzet in de regio en de
VS zelf. Het zal ook geen einde maken aan de uitbreiding van het geweld
naar Pakistan. De regering-Obama dringt aan bij het regime van Zardari
in Pakistan om de Taliban aan te pakken, maar dat levert geen resultaat
op. Hillary Clinton stelde tijdens een bezoek aan het land dat het
regime de Taliban moet aanpakken en al-Qa’ida verdrijven. De geheime
diensten van Pakistan, de ISI, wisten een tijdlang waar Osama Bin Laden
zich bevond in Waziristan. Ze konden hem wellicht op een dag tijd
vinden en oppakken. Dat zal echter niet gebeuren zolang Pakistan een
conflict kent met India. Afghanistan wordt traditioneel gezien als de
militaire achtertuin van Pakistan, een buffer tegen India en voor het
aanhoudende conflict in Kasjmir. In het door India bezette deel van
Kasjmir zijn nog steeds een half miljoen soldaten gevestigd. Het
VS-imperialisme en de regering-Obama bevinden zich in een onmogelijke
positie.
Het Afghaanse conflict heeft geleid tot de “talibanisering” van
delen van Pakistan. Een Amerikaanse terugtrekking uit de regio zou dit
proces enkel nog versnellen, met mogelijk Islamitische fundamentalisten
die de controle verwerven over de Pakistaanse kernwapens. Zelfs een
militaire staatsgreep, wat niet meteen op de agenda staat, kan op een
gegeven ogenblik een optie worden omwille van het falen van de
burgerlijke regering van Zardari of een andere regering om de situatie
onder controle te houden. Het aanhoudend gebruik van onbemande
bommenwerpers (drones) in Pathaanse gebieden, zal de afkeer tegenover
het VS-imperialisme enkel maar versterken. De situatie is dermate
wanhopig dat begin november werd gezegd dat het Amerikaanse leger
overwoog om troepen in Pakistan te vestigen om, met instemming van de
regering, de nucleaire installaties te beschermen.
De recente verkiezingen in Afghanistan hebben de beperkte
sociale basis voor het regime van Karzai getoond. Dit regime is vooral
gebaseerd op de Pathaanse bevolking, goed voor 40% van de totale
bevolking. De Taliban kan nooit de volledige controle uitoefenen over
Afghanistan of Pakistan omwille van de stammentegenstellingen en de
etnische verschillen. Geen enkele buitenlandse militaire kracht is er
ooit in geslaagd om het land effectief te bezetten. Het was ook een
“Vietnam-moment” voor de Russische troepen toen ze moesten terugtrekken
uit Afghanistan. De VS en Groot-Brittannië gaan niet tegen het
nationalisme op zich in, er is in Afghanistan slechts een beperkt
nationaal bewustzijn maar eerder een lokaal nationalisme of, zoals een
commentator recent stelde, eerder een verbondenheid aan een vallei. Dit
betekent dat de belangen van de stam en de vallei voorgaan op
“nationale projecten”. De huidige Amerikaanse en Britse aanwezigheid
gewoon behouden, zet het land onder enorme druk en heeft een weerslag
op Pakistan. De troepen terugtrekken, zou de hele regio in chaos
onderdompelen en het prestige van de VS zeker op militair vlak
ondermijnen. Dat is de achtergrond van de discussie bij de Amerikaanse
en Britse regeringen over het zoeken van steun bij minstens een deel
van de leiders van de opstandelingen in de hoop dat daarmee de eigen
interventie kan worden afgebouwd.
Een zelfde situatie zien we in Israël-Palestina. De rampzalige
interventie van Hillary Clinton die weigerde om kritiek te geven op de
Israëlische regering en aanvaardde dat er geen bevriezing zou komen van
de bouw van Israëlische nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever,
heeft de crisis in de regering-Abbas enkel nog versterkt en dit kan
leiden tot een explosieve situatie. Het netto resultaat is een
versterking van Hamas en de rechtse politieke Islamitische
fundamentalistische krachten in de Palestijnse gebieden. De
mogelijkheid van een twee-statenoplossing wordt daarbij steeds meer in
vraag gesteld. Hamas heeft zich formeel aangepast en legt grotere
nadruk op het idee van een Palestijnse staat “van de rivier tot aan de
zee”. Tegelijk blijven delen van de leiding de discussie verderzetten
met de mogelijkheid van een tweestatenoplossing als opstap naar één
staat. De Israëlische bevolking zal het idee van één Palestijnse staat
niet aanvaarden als alternatief op de huidige situatie. Anderzijds zal
de weigering van de Palestijnse burgerij om zelfs een gewapende
tweestatenoplossing te aanvaarden, er nu toe leiden dat er een
“Zuid-Afrikaans” type van ontwikkeling kan zijn: een campagne om te
komen tot “één persoon, één stem.”
De Palestijnen kunnen redeneren dat er geen mogelijkheid is dat
de Israëlische staat hun recht op een eigen natie zal erkennen en dat
bijgevolg de strijd voor gelijke rechten beter in Israël zelf wordt
gevoerd. De Israëlische heersende klasse zal dat niet aanvaarden. Als
de “Israëlische Arabieren” (Palestijnen die in Israël wonen) zich
achter dit soort eisen beginnen te scharen, dan kan dit leiden tot een
massale uitwijzing van Palestijnen. Dat kan leiden tot een massaal
bloedbad dat de twee intifada’s overtreft. Bovendien zou het regionale
gevolgen hebben met de mogelijkheid van een nieuwe oorlog in het Midden
Oosten met alle gevolgen van dien als Israël effectief kernwapens zou
gebruiken bij een militaire belegering. Het kan ook leiden tot een
nieuw olie-embargo waarmee economische schade kan worden aangericht.
Het enige alternatief op deze nachtmerrie is dat van onze Israëlische
en Arabische kameraden voor een socialistische confederatie met
nationale rechten voor zowel de Palestijnen als de Israëli. Het
kapitalisme biedt geen enkele uitweg uit de huidige situatie.
Tegelijk hebben we de afgelopen periode een golf van onrusten
gezien in Latijns-Amerika waar de strijd van de massa’s vooraan staat
in de klassenstrijd, zeker in het Andesgebied van Venezuela, Bolivia,
Ecuador en El Salvador. Het aan de macht komen van Chavez in Venezuela
en Morales in Bolivië waren uitdrukkingen van een belangrijke
ontwikkeling. Het was een uitdrukking van een groeiende revolte van de
massa’s tegen het neoliberalisme en deze regeringen waren onder druk
van deze revolte verplicht om een aantal populaire hervormingen door te
voeren en de overheidstussenkomsten op te drijven. Chavez moest het
idee van socialisme terug op de politieke agenda zetten en dat is een
belangrijke stap vooruit. Er is nu een kritiek ogenblik in zowel
Venezuela als Bolivië. De top-down bureaucratische methoden van het
regime van Chavez en het falen van het regime om het kapitalisme omver
te werpen hebben – zoals we elders uitgebreid hebben beschreven
- geleid tot een impasse in het land. Dit kan ook de ideeën van het
socialisme discrediteren. In Bolivië werd Morales met een grote
overwinning herverkozen, dat zal ongetwijfeld leiden tot een nieuwe
fase in de strijd. De massa’s eisen dat er verder wordt gegaan dan de
beperkte hervormingen die reeds werden doorgevoerd door de regering.
Morales en de MAS hebben nu geen enkel excuus meer om de beweging tegen
te houden. De eisen van de massa’s om het revolutionaire proces vooruit
te stuwen, zullen ingaan tegen de reformistische politiek en methoden
van de MAS-leiding en dit kan leiden tot een explosieve situatie met
een grote impact op Venezuela en de rest van Latijns-Amerika.
De regionale macht Brazilië is er samen met Chili totnutoe in
geslaagd om de volledige impact van de crisis te ontlopen. Dat heeft
geleid tot een relatief beperkt niveau van strijd in deze en sommige
andere landen. Lula slaagt er op deze basis in om een grote steun te
behouden in de peilingen. Dit zal echter niet onbeperkt blijven duren
en eens de enorm machtige arbeidersklassen van Brazilië, Argentinië,
Chili en Mexico – met sterke revolutionaire tradities – in actie zullen
komen, dan zal dit een grote impact hebben op de strijd en de
revolutionaire processen op heel het continent. De staatsgreep in
Honduras is een waarschuwing voor de arbeidersklasse en de armen op het
continent en benadrukt de nood aan onafhankelijke organisaties van de
arbeidersklasse met een revolutionair socialistisch programma om het
kapitalisme en het grootgrondbezit omver te werpen. De afwezigheid van
dergelijke onafhankelijke organisaties en partijen, maakt de groei van
radicale populistische krachten in heel wat landen mogelijk. Die
bewegingen vormen een fase van de beweging en we moeten dit overkomen
door te bouwen aan onafhankelijke organisaties en partij van de
arbeidersklasse.
In Afrika zijn er heel wat kansen om het CWI op te bouwen en
onze verantwoordelijkheid is erg groot. Arbeiders en armen op heel het
continent hebben amper iets gevoeld van de wereldwijde economische
groei van de afgelopen jaren. Op een ogenblik van recessie is er al
helemaal geen vooruitzicht op verbetering in hun situatie. Dat zal er
enkel toe leiden dat de heersende elite haar plundertocht verder zet en
alles steelt dat maar kan gestolen worden. Dat is een van de redenen
achter de aanhoudende conflicten in centraal en oostelijk Afrika. De
afgelopen jaren was er wel een nieuwe opgang van protest tegen de
stijgende prijzen voor voedsel en brandstof.
In Zuid-Afrika heeft de vervanging van Mbeki door president
Zuma de verwachtingen onder de bevolking doen toenemen en daarmee is de
deur open gezet voor een nieuwe periode van strijd. In Nigeria is er
een groeiende bereidheid om tot actie over te gaan tegenover de
aanhoudende aanvallen van de regering op de levensstandaard en tegen de
plundering van de rijkdom van het land. Na verschillende massale
protestacties, waaronder zes algemene stakingen sinds 2000, is er een
groeiend besef dat “regimeverandering” nodig is. Het is een uitdaging
om te bouwen aan een onafhankelijke beweging van de arbeiders en armen
om de macht over te nemen. De ontwikkelingen in Guinea sinds de
militaire staatsgreep van december 2008 tonen de gevaren aan van een
situatie waarbij de militairen orde op zaken zetten. Enkel massa-actie,
onder leiding van de arbeidersklasse, kan een antwoord bieden op de
corruptie, de democratische rechten verdedigen en door te breken met
het kapitalisme en imperialisme beginnen aan de socialistisch omvorming
van de samenleving.
Beslissende periode
Voor het CWI is dit een nieuwe en beslissende periode. We zijn
nieuwe krachten aan het opbouwen. In Ierland, dat bijzonder hard
geraakt wordt door de economische crisis, was er het spectaculaire
succes van Joe Higgins bij de Europese verkiezing en een belangrijke
rol van de Socialist Party in de campagne tegen het Verdrag van
Lissabon. Het profiel en de rol van de SP en Joe blijken onder meer uit
de publicatie van vier nieuwe boeken over de “Keltische Tijger” waarin
telkens wordt verwezen naar ons Europees parlementslid en onze partij.
Heel wat CWI-leden worden lid als vechters, veelal maar niet
steeds met een ruw anti-kapitalistisch bewustzijn. Dat is een gevolg
van de enorme ideologische campagne tegen het “socialisme” die door de
kapitalisten en hun agenten werd gevoerd na de val van het stalinisme
en de ineenstorting van de bureaucratisch geplande economieën. Dit
effect werd versterkt door de wereldwijde groei in de jaren 1990 en de
eerste helft van deze eeuw. De overgrote meerderheid van de officiële
leiders van de arbeidersbeweging hebben het socialistisch project
opgegeven, veel linkse intellectuelen en zelfs een aantal “marxisten”
en “trotskisten” deden hetzelfde. Het CWI is steeds de verdediging van
socialistische opvattingen blijven opnemen met het historische doel om
deze standpunten opnieuw naar voor te brengen in de programma’s van
nieuwe arbeiderspartijen. Tegelijk proberen we de revolutionaire
krachten van het CWI te behouden en uit te breiden. We moeten nog
steeds strijd voeren om onze ideeën naar voor te brengen. Maar tegelijk
slagen we er in om tegen de achtergrond van een afgenomen politiek
bewustzijn (als gevolg van de hoger genoemde factoren) heel wat
vechters tegen het huidige systeem over te winnen en kennis te laten
maken met een socialistisch begrip, ook al gaat het vaak nog niet om
activisten met een marxistische benadering. We moeten onze krachten
opbouwen en onze invloed in de arbeidersbeweging uitbreiden, maar
tegelijk moeten we een marxistische vorming meegeven aan diegenen die
onze rangen vervoegen.
Onze taak is gelijkaardig – maar dan op een hoger niveau – als
die van de arbeiderspartijen voor de Eerste Wereldoorlog. In een bijna
maagdelijk terrein moesten ze partijen opbouwen vanuit de ruwe massa’s.
Velen die lid werden van de massa sociaal-democratische partijen in
Frankrijk, Duitsland,… - partijen die zichzelf “marxistisch”
verklaarden – werden binnen deze partijen gevormd en ontwikkeld tot
marxisten en socialisten. Daarbij was het essentieel om kaders te
ontwikkelen, een proces dat niet louter samen hangt met vorming maar
ook verbonden is met gebeurtenissen. De Bolsjewieken konden geen kracht
worden die in staat was om de samenleving te veranderen zonder de
heroïsche voorgangers van generaties die in strijd gingen – de
Narodniki, de Emancipatie van Arbeid groep in de jaren 1890 in Rusland,
de revolutie van 1905, 1917 en de internationale gevolgen van de
revolutie. Gebeurtenissen kunnen snel ontwikkelen en kansen bieden aan
het CWI om een gelijkaardige rol te spelen, aanvankelijk op een
kleinere schaal, maar met de hoop om een kracht te worden van
tienduizenden aanhangers en nadien van miljoenen arbeiders. Het CWI wil
deze uitdagingen aangaan om voorbereid te zijn op de tumultueuze
gebeurtenissen die ons te wachten staan.
|