|
In een aantal boekhandels wordt het boek “Grenzeloos India” momenteel
aan verlaagde prijzen verkocht. Het boek dateert van 2005 maar blijft
interessant. Auteur Patrick De Vos vatte dit boek op als een
verzameling van reisessays waarbij op een kritische wijze kennis wordt
gemaakt met India. Er wordt vertrokken van een kritische visie op het
neoliberalisme en dat maakt het voor ons natuurlijk aangenamer om te
lezen.
Recensie door Geert Cool
Patrick De Vos trok drie maanden naar India en bezocht verschillende
delen van dit subcontinent. De stranden van Goa zijn immers niet te
vergelijken met miljoenensteden als Mumbai of Kolkatta. De
beschrijvingen van het leven in India en hoe dit overkomt bij een
Westerse “toerist” lezen vlot en zijn zeker herkenbaar voor wie het
land bezocht. De drukte en chaos op straat en in het verkeer, de stank
en de immense armoede of de omvang van de miljoenensteden. Het komt
allemaal aan bod in het boek, maar De Vos wil niet alleen vaststellen.
Hij probeert ook na te gaan van waar de problemen komen en hoe daar
iets aan kan worden gedaan.
Dit boek is geschreven op een ogenblik dat de
antiglobaliseringsbeweging nog volop in de actualiteit was. De Vos
biedt, zoals de ondertitel van het boek het aangeeft, een blik op de
“achterkant van de globalisering”. Daartoe is een zeker begrip van het
neoliberalisme en de globalisering nodig. De auteur brengt
verschillende visies aan, maar lijkt zelf te opteren voor de visie van Wallerstein.
Dat brengt enkele beperkingen met zich mee en ook qua antwoorden zijn
we het vaak niet eens met De Vos die in het boek pleit voor een sociaal
en ecologisch gecorrigeerde markteconomie op basis van een globaal
Marshallplan. Hoe dat mogelijk zou zijn, wordt niet duidelijk gemaakt.
Maar het boek biedt interessante analyses van de politieke
situatie en het dagelijkse leven in India. Dat wordt opgesmukt met
interessant cijfermateriaal waar nodig en nuttig. En er wordt hier en
daar ingegaan op historische elementen. Dat is heel veel om in één boek
samen te persen, waardoor er uiteraard geen volledig beeld wordt
gebracht. Hierdoor wordt bijvoorbeeld een eenzijdig beeld gegeven van
het sociaal-economische beleid in India na de onafhankelijkheid tot
begin jaren 1990. De Vos omschrijft dit als een gemengde economie,
elders zelfs als socialisme of gebaseerd op het Britse fabianisme.
Dat is kort door de bocht: heel wat sociale toegevingen werden
afgedwongen onder druk van radicalisering aan de basis onder arbeiders
en armen. Dat dwong de Congress-regering begin jaren 1970 zelfs tot
verregaandere maatregelen zoals het nationaliseren van de
sleutelsectoren van de economie en het uitbouwen van meer sociale
zekerheid. Die ontwikkeling kan niet los worden gezien van de
toenmalige radicalisering en internationale gebeurtenissen (de
revolutie van 1968 in Pakistan en de bewegingen in Oost-Pakistan die
leidden tot de onafhankelijkheid van Bangladesh in 1971). Maar het
nationaliseren van de sleutelsectoren en het invoeren van sociale
zekerheid volstaat niet om een land “socialistisch” te noemen.
De Vos is sterk als hij kritiek levert op het neoliberalisme en
de illusie dat meer liberalisme zou leiden tot minder armoede. Met
cijfers kan veel worden aangetoond, maar wat vaststaat is dat de
armoede de afgelopen jaren niet is verminderd in India. Een kleine
minderheid heeft geprofiteerd van de economische opgang, een grote
meerderheid niet. Waar in 2000 de armste 20% over 8,7% van alle
inkomens beschikte, had de rijkste 20% maar liefst 41,8% van de
inkomens. De inkomensongelijkheid in 2003 was even groot als deze in
1980 of 1960. De groei in onder meer de IT-sector heeft niet geleid tot
een fundamentele verandering van de sociale relaties. Het idee dat er
een grotere middenklasse zou bestaan, klopt maar gedeeltelijk. De Vos
geeft het cijfer dat slechts 500.000 Indiërs (0,05% van de bevolking)
over een jaarinkomen van meer dan 10.000 dollar beschikken.
Tegenover de enorme ongelijkheid in India is er wel degelijk
verzet. De Vos gaat in op de politieke geschiedenis van het land en
blijft ook stilstaan bij de traditie van communistisch verzet in het
land. In een stad als Kolkatta kon hij daar moeilijk naast kijken. Het
vroegere Calcutta is reeds decennialang een bolwerk van communistische
steun en wordt intussen al heel wat jaren bestuurd door een lokale
regering waarin de communistische partij de boventoon voert. De
officiële communisten hebben in de jaren 1990 echter geen antwoord
geboden op de liberaliseringspolitiek die werd gevoerd door zowel de
Congress-partij van de Ghandi’s als de hindoenationalisten van de BJP.
Meer nog, de regering-Singh werd lange tijd vanuit de oppositie
gesteund door het linkse front rond de communisten. Op lokaal vlak
voerden ze zelf een liberaal beleid dat de belangen van de
multinationals voorop stelde. Dat was de basis voor de electorale
afstraffing bij de laatste verkiezingen. De Vos stelt de verandering
van de “communistische” partijen vast, naar zijn oordeel wordt een
“pragmatische” koers gevaren waarbij privatiseringen niet worden
geschuwd en “ideologische dogma’s of onaantastbare stakingsrechten”
moeten wijken voor de grote bedrijven.
De liberaliseringspolitiek van de jaren 1990 is wellicht de
belangrijkste reden waarom de ooit zo machtige Congress-partij een
groot deel van haar machtspositie verloor aan de hindoenationalistische
BJP. Met het streven naar het behoud van de eigen identiteit had dit
wellicht minder te maken dan wat De Vos lijkt aan te geven. Het
historische beeld dat hij brengt van de ontwikkeling van de BJP is wel
erg interessant. De liberaliseringspolitiek heeft een aantal vroegere
sociale verworvenheden afgebouwd en heeft de enorme kloof tussen rijk
en arm enkel verder vergroot. Dat heeft de politieke autoriteit van
Congress ondermijnd, maar de BJP was op dat vlak niet anders waardoor
Congress zich al snel kon opwerpen als het “minste kwaad”. De afgelopen
twee verkiezingen werden de BJP weg gestemd en kon Congress de macht
behouden met een sociale retoriek die weinig te maken heeft met de
realiteit van het asociale beleid. De sterkte van Congress is de afkeer
en de angst onder bredere lagen tegenover het radicale nationalisme van
de BJP dat steeds het gevaar van religieus geweld met zich meebrengt.
In Gujarat werd dit met het geweld van 2002 voldoende aangetoond.
Nog een sterk element in het boek is de kritiek op de
liefdadigheidsprojecten van moeder Theresa en de
“liefdadigheidstoeristen”. De Vos: “Misschien (...) zullen we begrijpen
dat ze daar in Kolkatta niet meteen zitten te wachten op een handvol
betuttelende westerlingen die liever dan de oorzaken van de
ongelijkheid en de miserie in de wereld ten gronde aan te pakken, wat
druppels op een hete plaat komen sprenkelen, in de hoop daarbij een
spirituele ervaring op te doen.”
Dit boek is een aanrader voor wie kennis wil maken met India.
Het boek leest erg vlot en de combinatie van reisverhalen met politieke
en historische analyse kon ondergetekende zeker boeien. Met een
kritisch beeld op India en de economische ontwikkeling van de afgelopen
decennia, wordt de basis gelegd voor een anti-kapitalistische visie.
Het zou interessant zijn om te weten wat de impact van de huidige
wereldwijde recessie op de visies en standpunten van de auteur is.
Daarnaast is het wellicht interessant om de visie van een
“buitenstaander” te combineren met het standpunt van een Indische
activiste. Het boek “Luisteren naar de sprinkhanen”
van Arundhati Roy dat in januari ook in het Nederlands zal verschijnen,
zou bijvoorbeeld een nuttige aanvulling en verdere actualisatie zijn.
|